Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Dwergrallen › Bruinvlekral

Bruinvlekral | Sarothrura elegans

Buff-Spotted Flufftail | Polluela Elegante

De bruinvlekral is de ral van de bosbodem: een kleine, zelden geziene vogel waarvan het klaaglijke, langgerekte gehoe in zomernachten uit bossen, dichte tuinen en ravijnen klinkt. Hij trekt 's nachts en duikt dan soms op in stadstuinen of zelfs in gebouwen.

Bruinvlekral (Sarothrura elegans)
Foto: Crispin Hemson — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het karakteristieke geluid is een lang, droevig, zwellend en dan weer wegstervend gehoe, oeoeoeoeoe, van drie tot vier seconden, met tussenpozen herhaald, vooral 's nachts en op bewolkte, natte dagen in de zomer. Het klinkt als wind over een flessenhals of een verre scheepshoorn en is moeilijk te lokaliseren. Verder een zacht kok-kok tussen de partners.

Luister: ZangXC952486

Opname: Jenny Sharland — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

15–17 cm lang. Het mannetje heeft kop, hals en borst kastanjerood; de rest van het lichaam is zwart met dichte okergele tot witachtige stippen, op de buik overgaand in banden. De staart is rossig met zwarte banden. Het vrouwtje is geheel warm bruin met fijne okergele en donkere bandering, van onder lichter met een bleke keel, en heeft eveneens een gebandeerde staart. De snavel is donker, de poten zijn grijsachtig. Jonge vogels zijn egaal donker grijsbruin. Loopt schichtig en ineengedoken over de bosbodem en verdwijnt bij verstoring rennend in de ondergroei.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de parelvlekral Sarothrura pulchra heeft witte in plaats van okergele stippen en een egaal kastanjebruine staart; beide soorten overlappen alleen in het noorden van Angola en Zambia. De roodborstral Sarothrura rufa is fijn wit gestreept met een zwarte staart en leeft in moerassen. De strepenral Sarothrura affinis heeft een kastanjebruine staart en een gestreept, niet gevlekt lijf, en leeft in montaan grasland.

Leefgebied

De bodem van groenblijvend bos, dichte struwelen en bosranden met een dikke strooisellaag, ook ravijnen in het grasland, rietgras langs bosbeken, plantages met ondergroei en grote, verwilderde tuinen. Zoekt insecten, wormen, spinnen en kleine slakken tussen het blad.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Zuid-Afrika in een smalle band langs de zuid- en oostkust en de oostelijke escarpment, van de omgeving van Knysna en George via de Oost-Kaap en KwaZulu-Natal tot in Mpumalanga en Limpopo, verder in Eswatini, de Oostelijke Hooglanden van Zimbabwe, Mozambique, Malawi, het noorden van Zambia en Angola. Deels trekvogel: in de winter verlaten veel vogels de koelere delen. Daarbuiten verspreid over West-, Centraal- en Oost-Afrika, van Sierra Leone tot Ethiopië en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de zomer het best te horen in de bosgebieden van KwaZulu-Natal en de Oost-Kaap, zelfs in groene voorsteden van Durban en Pietermaritzburg, in de uren na zonsondergang en tijdens motregen. Zien vergt geduld: zoek een open plek in het strooisel bij de roepende vogel en wacht stil.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in geschikt bos plaatselijk vrij algemeen, maar door zijn verborgen leefwijze waarschijnlijk onderschat. Lokaal gevoelig voor het kappen van bos en struweel; trekkende vogels komen 's nachts om tegen ramen en verlichte gebouwen.

Wetenschappelijke naam

Sarothrura elegans | (Smith, 1839)

Smith beschreef de soort in 1839 als Gallinula elegans; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sarothrura werd in 1890 ingevoerd door Heine. Sarothrura komt van het Griekse sarōtron, 'bezem', en oura, 'staart' — naar het korte, borstelige staartje van deze ralletjes. elegans is Latijn voor 'sierlijk, elegant' — naar het fijn gevlekte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Durban, Zuid-Afrika.