Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Dwergrallen › Roodborstral

Roodborstral | Sarothrura rufa

Red-Chested Flufftail | Polluela Rufa

De roodborstral is de algemeenste ral van de rietmoerassen van het gebied, en met enige moeite ook de best te zien. Een paar leeft verborgen in dichte zeggen en biezen, maar verraadt zich met een eindeloos herhaald, hol doe-doe-doe dat vooral in de broedtijd dag en nacht klinkt.

Roodborstral (Sarothrura rufa)
Foto: alanbedfordshaw — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lange reeks holle, zich herhalende tonen, doe-doe-doe-doe, en een luider, stijgend oe-oe-oe-oe, vaak in duet met een zacht, nasaal tuk-tuk of een snel tikkend kik-kik-kik van de partner. Roept de hele dag door, vooral bij bewolkt weer, en 's nachts.

Luister: ZangXC889826

Opname: Peter Ward — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

15–17 cm lang. Het mannetje heeft een diep kastanjerode kop en hals, doorlopend over de bovenborst en de bovenmantel; de rest van het lichaam, inclusief de staart, is zwart met fijne witte streepjes, op de buik overgaand in stippels. Het vrouwtje is donkerbruin met fijne okergele schubben en stippels, van onder lichter bruin met een bleke keel, en mist het kastanjebruin geheel. De snavel is donker, de poten donkergrijs. Jonge vogels zijn egaal donkerbruin tot zwartachtig.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de strepenral Sarothrura affinis heeft een kastanjebruine staart en het kastanjebruin beperkt tot de kop; hij leeft in droog montaan grasland. Bij de Ugallaral Sarothrura lugens blijft het kastanjebruin beperkt tot kop en hals en is de keel wittig. Het mannetje van Böhms ral Sarothrura boehmi heeft een witte keel en een witte, zwart gestreepte borst. De bruinvlekral Sarothrura elegans heeft okergele stippen en een rossige staart, en leeft in bos. Vrouwtjes zijn alleen met goed zicht en op basis van habitat te onderscheiden.

Leefgebied

Dichte, permanent natte vegetatie van zeggen, biezen, lisdodden en riet in moerassen, vleien, rivieroevers en de randen van dammen, ook in kleine, versnipperde natte plekken in cultuurland en zelfs in stedelijke gebieden. Foerageert op de natte bodem en in ondiep water tussen de stengels, op insecten, larven, slakken en zaden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverbreid in het oosten en noorden van het gebied: in Zuid-Afrika van het Kaapse schiereiland langs de zuidkust naar de Oost-Kaap, KwaZulu-Natal, het hoogveld en Limpopo, verder in Lesotho, Eswatini, Zimbabwe, Mozambique, Malawi en Zambia. In Botswana in de Okavangodelta en langs de Chobe, in Namibië in het noordoosten, en in Angola verspreid. Daarbuiten over grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië en Kenia.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bij vrijwel elk dicht rietmoeras in het oosten van Zuid-Afrika te horen; zien lukt het best vanuit een schuilhut of vlonder, bijvoorbeeld in de moerassen rond Wakkerstroom, Marievale of in de wetlands van Kaapstad. Speel niet af, maar wacht bij een open modderig plekje aan de rietrand: in de vroege ochtend steekt de vogel soms kort over.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en wijdverbreid; plaatselijk verdwenen door drooglegging, bebouwing en het afbranden van moerasvegetatie. Kan zich handhaven in kleine natte plekken, ook binnen de bebouwde kom.

Wetenschappelijke naam

Sarothrura rufa | (Vieillot, 1819)

Vieillot beschreef de soort in 1819 als Rallus rufus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sarothrura werd in 1890 ingevoerd door Heine. Sarothrura komt van het Griekse sarōtron, 'bezem', en oura, 'staart' — naar het korte, borstelige staartje van deze ralletjes. rufa is Latijn voor 'roodbruin' — naar de roestrode kop en borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Afrika (niet nader bepaald).