Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Ralreiger

Ralreiger | Ardeola ralloides

Squacco Heron | Garcilla Cangrejera

De ralreiger is een kleine, gedrongen reiger die in zit geelbruin en onopvallend is, maar bij het opvliegen plotseling spierwit oplicht. Dat contrast tussen de warme bruine vogel in de vegetatie en de witte vogel in de lucht is het beste kenmerk.

Ralreiger (Ardeola ralloides)
Foto: Andy Morffew from Itchen Abbas, Hampshire, UK — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Bij opvliegen een schor, kraaiachtig karr of kaak, vooral in de schemering; in de kolonie gekras en keelgeluiden.

Luister: VluchtroepXC1180912

Opname: Xavier Riera — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 43 cm, met een korte, dikke hals en korte poten. In rust overwegend okerbruin tot geelbruin, met een lichtbruine rug en fijn donker gestreepte kop en hals; vleugels, stuit en staart zijn wit, maar in zit grotendeels bedekt. In broedkleed een warm okerkleurige mantel met lange sierveren en lange, zwart-wit gestreepte nekpluimen; de snavel is dan blauw met een zwarte punt en de poten lopen kort roze tot rood aan. Buiten de broedtijd is de snavel groengeel met een donkere punt en zijn de poten geelgroen. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer en sterker gestreept.

Verwarrings­soorten

Madagaskarralreiger Ardeola idae is groter en zwaarder, met een dikkere snavel en een sterker en donkerder gestreepte, minder warm gekleurde kop, hals en borst. Koereiger Ardea ibis is in vlucht eveneens geheel wit, maar is ook in zit wit en heeft een korte gele snavel. Mangrovereiger Butorides striata en jonge kwak Nycticorax nycticorax hebben in vlucht donkere vleugels.

Leefgebied

Moerassen, rivieroevers, dammen en overstroomde graslanden met drijvende en oevervegetatie, rijstvelden en de randen van rietvelden en papyrus. Jaagt staand of langzaam sluipend, vaak op drijvende planten, op kikkers, visjes en insecten. Broedt in gemengde reigerkolonies in riet of bomen boven water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vooral in het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden van Botswana en Namibië, en in Zuid-Afrika in Limpopo, Mpumalanga, Gauteng, de Vrijstaat, Noordwest en KwaZoeloe-Natal; schaarser naar het zuiden tot in de Oost-Kaap, zeldzaam in de West-Kaap. Daarbuiten in Afrika ten zuiden van de Sahara, op Madagaskar, in Zuid-Europa en het Midden-Oosten.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best in de Okavangodelta, op Nylsvley of langs de Chobe, waar de vogels op waterlelies en drijvende vegetatie staan. In zit laat een ralreiger zich makkelijk overzien; tel bij een groep opvliegende witte vogels boven een moeras hoeveel er een bruine rug hebben.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en wijdverspreid. Plaatselijk hebben drooglegging van moerassen en veranderingen in de waterstand invloed op de aantallen.

Wetenschappelijke naam

Ardeola ralloides | (Scopoli, 1769)

Scopoli beschreef de soort in 1769 als Ardea ralloides; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ardeola werd in 1822 ingevoerd door Boie. Ardeola is Latijn, een verkleinwoord van ardea 'reiger', dus 'reigertje'. ralloides is gevormd uit Latijn rallus 'ral' en Grieks -oides 'gelijkend op'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Krain in Slovenië.