Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Roodborstzwaluw

Roodborstzwaluw | Cecropis semirufa

Red-Breasted Swallow | Golondrina Pechirrufa

De roodborstzwaluw is een grote, donkere zwaluw met een blauwzwarte kap, diep roodbruine onderdelen en zeer lange staartspiesen. Hij is een vogel van open grasland en savanne, die zijn retortvormige nest vooral in duikers onder wegen en in holen in de grond bouwt.

Roodborstzwaluw (Cecropis semirufa)
Foto: https://www.flickr.com/photos/dkeats/ — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een zacht, gorgelend en kwetterend gebabbel, melodieuzer dan dat van de meeste zwaluwen. De roep is een kort tsjerp of een zacht, trillend tsjrrr, vaak bij het nest te horen.

Luister: ZangXC927171

Opname: Paul Lenrumé — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–24 cm, inclusief de lange buitenste staartpennen. De bovendelen zijn diep glanzend blauwzwart; de blauwe kap reikt tot onder het oog en omsluit de wang, zodat het roodbruin pas op de keel begint. Keel, borst en buik zijn egaal diep roodbruin, zonder strepen; de stuit is eveneens roodbruin. De onderstaartdekveren zijn zwart, wat in vlucht een donker blok vóór de staart geeft. De ondervleugeldekveren zijn roodbruin tot okerkleurig en contrasteren weinig met de slagpennen. Jonge vogels zijn doffer, met bleker, meer okerkleurige onderdelen en kortere spiesen. Vliegt zwevend met langzame slagen, vaak laag over grasland.

Verwarrings­soorten

De moskeezwaluw Cecropis senegalensis is nog iets groter, heeft witte wangen en keel, lichtere roodbruine onderdelen en vooral helderwitte ondervleugeldekveren die sterk contrasteren met de donkere slagpennen. De savannezwaluw Cecropis abyssinica en de Kaapse zwaluw Cecropis cucullata hebben een roodbruine kop en gestreepte witte onderdelen. De oostelijke roodstuitzwaluw Cecropis daurica is kleiner, met bleke, fijn gestreepte onderdelen. De Benguelazwaluw Hirundo nigrorufa is ook blauwzwart met roodbruine onderdelen, maar is kleiner, heeft een blauwzwarte in plaats van roodbruine stuit en komt alleen in vochtig grasland in Angola en Noord-Zambia voor.

Leefgebied

Open grasland, open savanne en bosveld met grote open plekken, vaak bij vleien of water; ook in cultuurland met verspreide bomen. Nestelt in een groot, retortvormig modderen nest met een lange ingangsbuis tegen het plafond van duikers onder wegen, onder bruggen en van oudsher in verlaten aardvarkenholen en uitgeholde termietenheuvels. Jaagt laag op vliegende insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in Angola, Zambia, Malawi, Zimbabwe, het westen van Mozambique, het noorden en oosten van Botswana en het noorden van Namibië; in Zuid-Afrika in Limpopo, Noordwest, Gauteng, Mpumalanga, het noorden van de Vrijstaat en KwaZoeloe-Natal, en Eswatini. In het zuiden broedvogel van augustus tot april die daarna noordwaarts trekt; in het noorden deels standvogel. Daarbuiten van Senegal oostwaarts tot Kenia en zuidwaarts door Centraal-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van september tot maart; zoek in open grasland en savanne naar duikers onder zandwegen en asfaltwegen, zoals in de Pilanesberg, rond Nylsvley of in het Marakele-gebied: een vogel die laag over de weg naar een duiker vliegt is vaak een roodborstzwaluw. Let bij een grote roodbruine zwaluw in vlucht op de kleur van de ondervleugel en de keel om hem van de moskeezwaluw te onderscheiden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft zich uitgebreid met de aanleg van wegen en duikers, die veel nestplaatsen opleveren; plaatselijk gaan nesten verloren bij onderhoud aan duikers en bij overstromingen.

Wetenschappelijke naam

Cecropis semirufa | (Sundevall, 1850)

Sundevall beschreef de soort in 1850 als Hirundo semirufa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cecropis werd in 1826 ingevoerd door Boie. Cecropis komt van het Griekse Kekropis 'Atheense vrouw'. semirufa komt van het Latijnse semi, 'half', en rufus, 'rood' — naar de roodbruine onderdelen onder de donkerblauwe bovenkant. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Magaliesberg, Zuid-Afrika.