Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Savannezwaluw

Savannezwaluw | Cecropis abyssinica

Lesser Striped Swallow | Golondrina Abisinia

De savannezwaluw is een kleine, contrastrijke zwaluw met een roodbruine kop, een roodbruine stuit en dik zwart gestreepte witte onderdelen. Hij nestelt graag onder dakranden en veranda's van boerderijen en lodges, en zijn nasale, dalende zang is een vertrouwd geluid in het oostelijke bosveld.

Savannezwaluw (Cecropis abyssinica)
Foto: Dwergenpaartje — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks nasale, piepende tonen die in toonhoogte dalen, tee-tee-tee-teeeuw, vaak herhaald vanaf een draad of dakrand en zeer karakteristiek. De roep is een kort, nasaal tsjwiet of zeh.

Luister: ZangXC500737

Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

15–17 cm, inclusief de lange staartspiesen. De kruin, het achterhoofd en de oorstreek zijn diep roodbruin; het roodbruin loopt door tot onder het oog. Rug en vleugels zijn glanzend blauwzwart, de stuit is helder oranjerood. De onderdelen zijn wit met brede, dichte zwarte lengtestrepen van keel tot onderstaartdekveren; de ondervleugeldekveren zijn warm geelbruin. De staart is diep gevorkt met lange buitenste pennen en een rij witte vlekken. Jonge vogels zijn doffer, met een bruinere kop, kortere staart en minder scherpe strepen. Vliegt vrij langzaam en zwevend, vaak met korte glijvluchten en regelmatig zittend op draden of dode takken.

Verwarrings­soorten

De Kaapse zwaluw Cecropis cucullata is groter en bleker, met een lichter oranjebruine kruin, witte oorstreek, fijnere en minder dichte strepen en een bleek oranje stuit; zijn zang is zachter en niet dalend. De roodborstzwaluw Cecropis semirufa en de moskeezwaluw Cecropis senegalensis hebben ongestreepte, roodbruine onderdelen. De oostelijke roodstuitzwaluw Cecropis daurica heeft een blauwzwarte kruin en nauwelijks gestreepte onderdelen. De combinatie van donkere roodbruine kop tot onder het oog en zware streping is kenmerkend.

Leefgebied

Gemengd bosveld, miombo, mopaneveld en boomsavanne, vooral bij water, rivieren en bij dorpen, boerderijen, lodges en bruggen; ook bosranden in het kustgebied. Nestelt in een retortvormig modderen nest met een lange ingangsbuis onder dakranden, veranda's, bruggen en duikers, en van oorsprong onder rotsoverhangen. Jaagt op vliegende insecten, vaak vrij laag boven bosrand en open plekken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique en Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana en het noordoosten van Namibië; in Zuid-Afrika in Limpopo, Mpumalanga, Eswatini, KwaZoeloe-Natal en het Oost-Kaapland, westwaarts tot in het oosten van het West-Kaapland. In het noorden grotendeels standvogel; in het zuiden grotendeels afwezig van mei tot juli. Verder wijdverspreid in Afrika ten zuiden van de Sahara, van Sierra Leone tot Ethiopië en zuidwaarts.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Controleer de dakranden en veranda's van lodges en ruststations, bijvoorbeeld in het Krugerpark, in Zululand of rond de Victoriawatervallen: de retortvormige nesten verraden de soort. De dalende, nasale zang vanaf een draad is vaak het eerste teken. Bij een vliegende gestreepte zwaluw: let op de roodbruine kop tot onder het oog en de felle oranje stuit.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is algemeen en heeft zich in Zuid-Afrika zuidwestwaarts uitgebreid, geholpen door gebouwen en bruggen als nestplaats.

Wetenschappelijke naam

Cecropis abyssinica | (Guérin-Méneville, 1843)

Guérin-Méneville beschreef de soort in 1843 als Hirundo abyssinica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cecropis werd in 1826 ingevoerd door Boie. Cecropis komt van het Griekse Kekropis 'Atheense vrouw'. abyssinica betekent 'uit Abessinië', de oude naam voor Ethiopië, waar het eerste exemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ethiopië.