Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Vink
Vink | Fringilla coelebs
Eurasian Chaffinch | Pinzón Vulgar
De vink is een Europese vinkensoort die rond 1898 op het Kaapse Schiereiland is uitgezet en daar als kleine, geïsoleerde populatie standhoudt. Het is de enige Fringilla in het gebied: een slanke, langstaartige vink met opvallende witte vleugelbanden en witte buitenste staartpennen.
Geluid
De zang is een krachtige, dalende slag die eindigt in een zwierig slot, tsjip-tsjip-tsjip-tsjerrie-tsjerrie-tsjoe-tsjoewie-oe. De gewone roep is een helder pink; in de vlucht een zacht joep. In het Kaapse vallen zang en roep direct op tussen de inheemse vogelgeluiden.
Opname: Romuald Mikusek — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14 tot 16 cm, slanker en langer gestaart dan de inheemse kanaries. Het mannetje heeft een blauwgrijze kruin en nek, een roodbruine mantel, een olijfgroene stuit en roze-oranje wangen en borst. Beide seksen tonen een brede witte schouderbalk en een tweede, smallere witte vleugelband, en veel wit in de buitenste staartpennen. Het vrouwtje is dof grijsbruin boven en grijsbeige onder, met hetzelfde vleugel- en staartpatroon. De snavel is spits kegelvormig, bij het mannetje in de broedtijd blauwgrijs.
Verwarringssoorten
De Kaapse mus (Passer melanurus) en de huismus (Passer domesticus) zijn gedrongener, met een dikkere snavel en zonder witte staartzijden; de Kaapse mus heeft bovendien een zwart-wit kopbeeld. De Kaapse gors (Emberiza capensis) heeft een gestreepte kop en roestbruine vleugels, zonder dubbele witte vleugelband. Het vrouwtje vink is aan de twee witte vleugelbanden en de witte staartzijden in vlucht altijd te herkennen.
Leefgebied
Beboste buitenwijken met eiken, dennen en andere uitheemse bomen, parken, tuinen, wijngaarden en de randen van dennen- en eikenaanplant op de lagere hellingen van de Tafelberg. Foerageert vooral op de grond naar zaden en in de broedtijd naar insecten in de boomkruinen. Nestelt in een keurig komnestje van mos en korstmos in een boomvork.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied alleen op het Kaapse Schiereiland, vooral in de zuidelijke voorsteden van Kaapstad (Constantia, Newlands, Bishopscourt, Tokai) en plaatselijk rond Hout Bay; de populatie is klein, bleef altijd plaatselijk en is sinds de twintigste eeuw eerder gekrompen dan uitgebreid. Oorspronkelijk verspreid over Europa, Noord-Afrika en West-Azië, en ook ingevoerd in Nieuw-Zeeland.
- Jaarrond
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek in Kirstenbosch en de eikenlanen van Constantia en Tokai, het best in het voorjaar (augustus–november) wanneer de mannetjes zingen. De luide slag en de heldere pink-roep verraden de vogel in de kruinen. Wie de vink elders in het gebied meent te zien, heeft vrijwel zeker een ontsnapte kooivogel of een vergissing.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; wereldwijd een van de talrijkste zangvogels. In Zuid-Afrika een geïntroduceerde soort zonder beschermingsbelang, met een kleine populatie die niet invasief is gebleken en zich niet buiten het schiereiland heeft uitgebreid.
Wetenschappelijke naam
Fringilla coelebs | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Fringilla voerde hij in datzelfde werk in. Fringilla is het Latijnse woord voor 'vink'. coelebs is Latijn voor 'ongehuwd, alleenstaand': in Zweden trokken 's winters vooral de vrouwtjes weg, zodat de mannetjes achterbleven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.

