Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Kaapse zwaluw

Kaapse zwaluw | Cecropis cucullata

Greater Striped Swallow | Golondrina Cabecirrufa

De Kaapse zwaluw is een grote, bleke gestreepte zwaluw van het open binnenland van zuidelijk Afrika, met een licht oranjebruine kap, een bleek oranje stuit en fijn gestreepte witte onderdelen. Hij broedt vrijwel alleen in het zuidelijk deel van het gebied en trekt in de zuidelijke winter naar Centraal-Afrika.

Kaapse zwaluw (Cecropis cucullata)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een zacht, kwetterend tsjerp-tsjerp-tsjrrr, rustiger en lager dan dat van de savannezwaluw en zonder dalende reeks. De roep is een kort, nasaal tsjissik of tsjerp.

Luister: ZangXC683128

Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–20 cm, inclusief de lange staartspiesen; forser en langvleugeliger dan de savannezwaluw. De kruin en het achterhoofd zijn licht oranjebruin, de oorstreek en wangen vuilwit, zodat de kap boven het oog eindigt. Rug en vleugels zijn glanzend blauwzwart, de stuit bleek oranje tot roomoranje en naar de staart toe lichter. De onderdelen zijn wit tot bleek roomkleurig met smalle, verspreide donkere lengtestreepjes, vooral op keel en borst. De ondervleugeldekveren zijn bleek geelbruin. Jonge vogels hebben een doffere, bruinere kap, kortere staart en vagere strepen. Vliegt zwevend met langzame slagen en lange glijvluchten.

Verwarrings­soorten

De savannezwaluw Cecropis abyssinica is kleiner en contrastrijker, met een donker roodbruine kop die tot onder het oog doorloopt, zware zwarte strepen en een diep oranjerode stuit. De oostelijke roodstuitzwaluw Cecropis daurica heeft een blauwzwarte kruin. De roodborstzwaluw Cecropis semirufa heeft ongestreepte roodbruine onderdelen. De Kaapse klifzwaluw Petrochelidon spilodera heeft ook een bleke stuit, maar een vrijwel rechte staart, een donkere kruin en een gevlekte borst. De combinatie van bleke kap, witte wang en fijne strepen is het beste kenmerk.

Leefgebied

Open grasland, Karoo, fynbos en renosterveld en open savanne, van zeeniveau tot hoog in de bergen; vaak bij boerderijen, bruggen en rotswanden. Nestelt in een retortvormig modderen nest met een ingangsbuis onder overhangende rotsen, dakranden, bruggen en duikers. Jaagt op vliegende insecten, vaak vrij hoog boven open terrein.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Broedt in Zuid-Afrika (vrijwel overal behalve het laagveld in het noordoosten), Lesotho, het hoogland van Eswatini, het midden en zuiden van Namibië, het zuidoosten van Botswana en plaatselijk het zuidwesten van Zimbabwe. Trekt van mei tot juli noordwaarts naar Angola, Zambia, het zuiden van Congo-Kinshasa en het zuidwesten van Tanzania; enkele vogels blijven in de winter in het West-Kaapland. Broedt alleen in zuidelijk Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van augustus tot april in het open binnenland, zoals op het Hoogveld, in de Oost-Vrijstaat, Lesotho en de Karoo; zoek bij bruggen, boerderijgebouwen en rotsoverhangen naar de retortvormige nesten. Vergelijk bij een gestreepte zwaluw altijd de kop: bij de Kaapse zwaluw is de wang wit en de kap bleek, bij de savannezwaluw loopt het donkere roodbruin tot onder het oog.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is algemeen in haar broedgebied en profiteert van bruggen, gebouwen en duikers als nestplaats.

Wetenschappelijke naam

Cecropis cucullata | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Hirundo cucullata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cecropis werd in 1826 ingevoerd door Boie. Cecropis komt van het Griekse Kekropis 'Atheense vrouw'. cucullata is Latijn voor 'met een kap' — naar de roodbruine kruin die als een kapje op de kop ligt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.