Alle soorten › Zangvogels › Monarchen › Roodbuikparadijsmonarch

Roodbuikparadijsmonarch | Terpsiphone rufiventer

Red-Bellied Paradise Flycatcher | Monarca Ventrirrojo

De roodbuikparadijsmonarch is de oranjerode paradijsmonarch van het West- en Centraal-Afrikaanse regenwoud. Met zijn glanzend zwarte kop en vurig roestoranje lijf is hij een van de kleurrijkste vogels van de bosondergroei; in ons gebied bereikt hij alleen het noorden van Angola en het noordwesten van Zambia.

Roodbuikparadijsmonarch (Terpsiphone rufiventer)
Foto: gisela gerson lohman-braun — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een raspend, nasaal scheldgeluid, zwee-zwèèr, en als zang een snelle reeks heldere fluittonen, wie-tie-tie-tie-tie, sterk gelijkend op die van de Afrikaanse paradijsmonarch.

Luister: ZangXC894730

Opname: julien Birard — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

17–18 cm; bij het mannetje kunnen de middelste staartpennen verlengd zijn, maar in veel populaties is de staart kort. Kop, kuif en keel zijn glanzend blauwzwart, met een smalle kobaltblauwe oogring en een blauwe snavel. Rug, stuit, staart en de hele onderzijde zijn helder roestoranje; de vleugels zijn donker met roestbruine randen. Het vrouwtje is doffer, met een kortere kuif, een grijzige keel en een kortere staart. Jonge vogels zijn bruiner en missen de glans op de kop. In gebieden waar hij met de Afrikaanse paradijsmonarch samenkomt, zijn tussenvormen niet zeldzaam.

Verwarrings­soorten

De Afrikaanse paradijsmonarch Terpsiphone viridis heeft een grijze borst en buik en een roestbruine rug, of is in de witte vorm grotendeels wit; het mannetje heeft vrijwel altijd lange staartpennen. De Gabonparadijsmonarch Terpsiphone rufocinerea heeft een grijze onderzijde met alleen roestrode onderstaartdekveren. Bij mengvormen, die in Angola en Zambia voorkomen, is de onderzijde deels grijs en deels oranje; zulke vogels zijn in het veld niet zeker op naam te brengen.

Leefgebied

De onder- en middenlaag van vochtig laaglandbos, secundair bos, galerijbos langs rivieren en dichte begroeiing aan bosranden en in moerasbos. Vangt insecten in korte uitvallen vanaf een tak en zoekt het blad af; sluit zich vaak aan bij gemengde foerageergroepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het noorden van Angola, van Cabinda en het noordwestelijk binnenland tot het noordoosten (Lunda), en in het noordwesten van Zambia (Mwinilunga), waar de ondersoort ignea voorkomt. Buiten het gebied van Senegal oostwaarts door het West- en Centraal-Afrikaanse bos tot Oeganda en het westen van Tanzania, en op Annobón.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond, bijvoorbeeld in het galerijbos van Mwinilunga in Zambia of in de bossen van Noord-Angola. Luister naar het nasale scheldgeluid en kijk laag in het bos naar een vlam van oranje; vergeet niet op mengvormen met de Afrikaanse paradijsmonarch te letten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; in het Centraal-Afrikaanse regenwoud wijdverbreid en vrij algemeen. In het gebied is de soort beperkt tot galerij- en laaglandbos aan de zuidrand van het regenwoud, dat door kap en landbouw onder druk staat.

Wetenschappelijke naam

Terpsiphone rufiventer | (Swainson, 1837)

Swainson beschreef de soort in 1837 als Muscipeta rufiventer; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Terpsiphone werd in 1827 ingevoerd door Gloger. Terpsiphone komt van het Griekse terpsis, 'genot, vreugde', en phōnē, 'stem' — naar de aangename zang van paradijsmonarchen. rufiventer is Latijn voor 'roodbuikig', van rufus, 'rood', en venter, 'buik' — naar de roestrode onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Westkust van Afrika (later vastgelegd op Senegal).