Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Roodkapleeuwerik

Roodkapleeuwerik | Calandrella cinerea

Red-Capped Lark | Terrera Capirotada

De roodkapleeuwerik is een slanke, rechtop lopende leeuwerik met een roestrode kruin en roestrode vlekken aan weerszijden van de borst, afstekend tegen een witte onderzijde. Het is een van de meest algemene leeuweriken van open terrein in zuidelijk Afrika, vaak op kortgemaaid gras, vliegvelden en afgebrande vlakten.

Roodkapleeuwerik (Calandrella cinerea)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep, vooral in vlucht, is een droog tsjwiet of tsiep, vaak herhaald door een opvliegende zwerm. De zang, meestal in een hoge, golvende baltsvlucht en soms vanaf de grond, is een lange, gevarieerde reeks twitterende en piepende noten, vaak met imitaties van andere vogels.

Luister: VluchtroepXC823807

Opname: Dawie de Swardt — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

14–16 cm. Slank, langvleugelig, met een fijne, spitse snavel. De kruin is roestrood en kan tot een kort kuifje worden opgezet. Een brede witte wenkbrauwstreep scheidt de kruin van de bruine wang. De bovendelen zijn grijsbruin tot roodbruin met donkere strepen. De onderdelen zijn wit, met een roestrode vlek aan elke kant van de borst die soms bijna een borstband vormt. In vlucht vallen de donkere staart met lichte buitenranden en de lange vleugels op. Seksen gelijk. Jonge vogels missen het rood en zijn donker, dicht wit gespikkeld van boven, wat verwarring kan geven.

Verwarrings­soorten

De roodsnavelleeuwerik Spizocorys conirostris is kleiner en gedrongen, met een korte roze kegelsnavel en een okerkleurige onderzijde zonder roestrode borstvlekken. Starks leeuwerik Spizocorys starki is bleker, met een puntkuif zonder rood en een roze snavel. De mannetjes van de bruinrugvinkleeuwerik Eremopterix leucotis hebben ook roestbruin op de rug, maar een zwart-witte kop en een zwarte onderzijde. Jonge roodkapleeuweriken lijken op de kaneelpieper Anthus cinnamomeus, maar hebben een kortere staart, een kortere snavel en lopen gedrongener.

Leefgebied

Kort, open grasland, kale of pas afgebrande grond, graanakkers en braakland, vliegvelden en sportvelden, en droge vlakten in de Karoo en Kalahari. Prefereert zeer kort gras en kale plekken; mijdt hoog gras en bos. Foerageert lopend op de grond op insecten en zaden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijd verspreid in het gebied: in heel Zuid-Afrika (algemeen in het hoogveld, de Karoo en de Westkaap), Lesotho, Eswatini, Namibië, Botswana, Zimbabwe, Zambia, Malawi en Angola, plaatselijk in het westen en zuiden van Mozambique. Buiten het gebied noordwaarts tot in Oost-Afrika (Tanzania, Kenia en Oeganda) en het zuiden van de Democratische Republiek Congo.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Controleer het hele jaar vliegvelden, sportvelden, pas afgebrande graslanden en akkers met stoppels; buiten de broedtijd zitten er vaak zwermen van tientallen tot honderden vogels. De roestrode borstvlekken zijn op afstand het beste kenmerk. Houd bij gevlekte, kaal-uitziende vogels rekening met jonge roodkapleeuweriken voordat je aan een pieper of zeldzame leeuwerik denkt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen en wijdverbreid. Profiteert van landbouw, beweiding en branden die kort gras en kale grond opleveren. Er zijn geen grootschalige bedreigingen bekend.

Wetenschappelijke naam

Calandrella cinerea | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Alauda cinerea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calandrella werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Calandrella is een verkleinwoord van het Griekse kalandros, de kalanderleeuwerik, dus zoiets als 'kleine kalanderleeuwerik'. cinerea is Latijn voor 'asgrauw', van cinis, 'as' — naar de grijsbruine bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Barnaul, Siberië (zo in de bron; vermoedelijk onjuist).