Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Roodkopamadine

Roodkopamadine | Amadina erythrocephala

Red-Headed Finch | Estrilda Cabecirroja

De roodkopamadine is een forse, gedrongen astrild van het droge westen, die in groepen bij drinkplaatsen verschijnt en broedt in oude nesten van wevers, vooral in de kamers van republikeinwevernesten. Het mannetje valt op door de dofrode kop boven een geschubde borst.

Roodkopamadine (Amadina erythrocephala)
Hoofdfoto · Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een zachte, wat nasale roep, tsjuk of tsjek, vooral bij het opvliegen van groepen. De zang van het mannetje is een zacht, zoemend en kwetterend gebabbel met raspende en klikkende tonen, gebracht met opgezette kopveren.

Luister: ZangXC1177971

Opname: Campbell Fleming — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13 tot 14 cm, groot voor een astrild, met een zware, bleek hoornkleurige tot roze-grijze kegelsnavel. Het mannetje heeft een dofrode kop tot op de keel; mantel en vleugels zijn grijsbruin, de vleugeldekveren met kleine lichte puntjes. Borst en flanken zijn geschubd: witte vlekken met zwarte randen op een grijsbruine tot kaneelkleurige ondergrond; de buik is lichter. Het vrouwtje mist het rood en heeft een effen grijsbruine kop, maar deelt het geschubde onderkleed, dat bij haar zwakker is. Jonge vogels zijn valer en hebben een donkere snavel; jonge mannetjes tonen al vroeg een roodachtige waas op de kop.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de bandvink (Amadina fasciata) heeft alleen een smalle rode band over de keel, geen volledig rode kop, en is kleiner, met een fijn gebandeerd kleed en een kastanjebruine buikvlek. Vrouwtjes zijn lastiger: het vrouwtje van de roodkopamadine is groter en grijzer, heeft een effen kop en is alleen op borst en flanken geschubd, niet over het hele lichaam fijn gebandeerd. Het vrouwtje van de huismus (Passer domesticus) mist de geschubde borst en heeft een lichte wenkbrauwstreep. De baardmanwever (Sporopipes squamifrons) is kleiner, met een roze snavel, een zwarte baardstreep en een geschubd voorhoofd.

Leefgebied

Droge savanne, Kalahari-doornveld, Nama-Karoo en droog grasland, ook aan de randen van landbouwgebied en rond boerderijen. Afhankelijk van drinkwater: groepen komen op het heetst van de dag naar dammen en veedrinkplaatsen. Eet vooral graszaden van de grond. Broedt in oude nesten van andere vogels, vooral republikeinwevers, mahaliwevers en andere wevers, soms in holtes; bouwt zelden een eigen nest.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Algemeen in Namibië (niet in de kale Namib), Botswana (vooral het midden en zuiden) en het westen en midden van Zuid-Afrika, van de Noord-Kaap en het binnenland van de West- en Oost-Kaap tot de Vrijstaat, Gauteng, Noordwest en het westen van Limpopo; ook in Lesotho. Verder in het zuidwesten van Angola en marginaal in het zuidwesten van Zimbabwe. Nomadisch: in droge jaren trekken groepen tot ver buiten het gewone areaal. Buiten het gebied niet.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Wacht bij een dam of drinkbak in het Kgalagadi Transfrontier Park, in Etosha of op boerderijen in de Karoo en de Vrijstaat: rond het middaguur komen groepen van tientallen, in de winter soms honderden vogels, samen drinken. Kijk ook bij republikeinwevernesten, waar paren in de kamers broeden. De rode koppen van de mannetjes maken een groep zelfs in vlucht herkenbaar; vrouwtjes vallen tussen mussen minder op.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en plaatselijk talrijk; heeft geprofiteerd van de aanleg van dammen en drinkplaatsen voor vee, waardoor de soort zich naar het oosten en zuiden heeft uitgebreid. Wordt in beperkte mate gevangen voor de kooivogelhandel.

Wetenschappelijke naam

Amadina erythrocephala | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia eryocephala; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Amadina werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Amadina is een verbasterd verkleinwoord van Ammodramus, een geslacht van Amerikaanse gorzen; Swainson zag de bandvink als schakel tussen dat geslacht en Estrilda. erythrocephala komt van het Griekse eruthros, 'rood', en kephalē, 'kop' — naar de rode kop van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Angola.