Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Rosse franjepoot

Rosse franjepoot | Phalaropus fulicarius

Red Phalarope | Falaropo Picogrueso

De rosse franjepoot is een steltloper die buiten de broedtijd op open zee leeft. Hij broedt op de arctische toendra en overwintert in de koude, voedselrijke opwellingszones van de oceaan, zoals de Benguelastroom voor Namibië en West-Zuid-Afrika. In het gebied zie je hem vrijwel alleen in winterkleed, dobberend als een klein wit kurkje op het water.

Rosse franjepoot (Phalaropus fulicarius)
Hoofdfoto · Foto: USFWS - Pacific Region — Public domain · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Weinig vocaal buiten de broedtijd. Een kort, hoog en scherp pik of twit, vooral bij het opvliegen van groepjes op zee.

Luister: RoepXC1063401

Opname: Avery Bartels — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–22 cm. In winterkleed zijn kop en onderdelen wit, met een zwarte oogvlek die van het oog naar achteren loopt en een donkere achterkruin. De bovendelen zijn egaal lichtgrijs, zonder de lichte strepen van de grauwe franjepoot. De snavel is kort, vrij dik en aan de basis vaak geelachtig; de poten hebben gelobde tenen. In de vlucht een duidelijke witte vleugelstreep. Het vrouwtje is in broedkleed roodbruin van onderen met witte wangen en een gele snavel, feller gekleurd dan het mannetje; dat kleed is in het gebied alleen bij vroege aankomst of late vertrekkers deels te zien. Zwemt hoog op het water en draait vaak rondjes om prooi naar de oppervlakte te halen.

Verwarrings­soorten

De grauwe franjepoot Phalaropus lobatus is kleiner, met een naaldfijne zwarte snavel en donkerder grijze bovendelen met lichte strepen op de mantel. De grote franjepoot Phalaropus tricolor is groter, heeft een lange naaldsnavel, geen donkere oogvlek in winterkleed en een witte stuit zonder vleugelstreep, en loopt veel op de oever. De drieteenstrandloper Calidris alba lijkt in winterkleed op afstand wat op deze soort, maar zwemt niet en rent langs de branding.

Leefgebied

Open zee, vooral boven het continentaal plat en langs fronten waar koud opwellend water plankton concentreert. Na stormen soms in baaien, lagunes, zoutpannen en rioolvijvers aan de kust, en uitzonderlijk ver in het binnenland. Eet kleine kreeftachtigen en ander plankton dat hij zwemmend van het oppervlak pikt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vooral op zee voor de kust van Namibië en de westkust van Zuid-Afrika, oostwaarts tot voorbij Kaap de Goede Hoop; schaars en onregelmatig voor de zuid- en oostkust. Er zijn verspreide gevallen landinwaarts in Zuid-Afrika, Namibië en Botswana, meestal na zware stormen. Buiten het gebied broedt de soort rond de hele Noordpool en overwintert ze vooral voor West-Afrika, Chili en Peru.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is een pelagische tocht uit Kaapstad of Walvisbaai tussen november en maart; kijk naar kleine witte vogels die in groepjes op het water liggen en laag over de golven wegvliegen. Na winterstormen loont het de zoutpannen van Walvisbaai en de lagunes aan de Kaapse westkust af te zoeken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de wereldpopulatie is groot. In de broedgebieden gaan de aantallen plaatselijk achteruit, vermoedelijk door veranderingen in het zee-ecosysteem. Op zee is de soort kwetsbaar voor olieverontreiniging.

Wetenschappelijke naam

Phalaropus fulicarius | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa fulicaria; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phalaropus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Phalaropus gaat via het Franse phalarope terug op het Griekse phalaris 'meerkoet' en pous 'voet': net als meerkoeten hebben franjepoten gelobde tenen. fulicarius is afgeleid van het Latijnse fulica 'meerkoet', om dezelfde gelobde tenen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Hudsonbaai.