Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Rouwtortel

Rouwtortel | Streptopelia lugens

Dusky Turtle Dove | Tórtola Oscura

De rouwtortel is een donkere, zwaargebouwde tortel van de Oost-Afrikaanse hooglanden, die in het gebied alleen de hoogvlakten van noordelijk Malawi en noordoostelijk Zambia bereikt. Zij lijkt op een donkere, oostelijke tegenhanger van onze zomertortel.

Rouwtortel (Streptopelia lugens)
Foto: Jacky Judas — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diep, schor en traag koeren, koerr-koerr-koerr, drie tot vijf keer herhaald, lager en rauwer dan dat van de roodoogtortel en zonder de karakteristieke zesledige cadans.

Luister: ZangXC879503

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 31 cm, fors en donker. Kop, hals en onderdelen zijn donker leigrijs tot grijsbruin, de kruin iets lichter grijs. Aan weerszijden van de hals ligt een zwarte vlek, zonder doorlopende halsband over de achterhals. Mantel en schouders zijn donker, met brede roestbruine tot oranjebruine veerranden die een geschubd patroon geven, zoals bij de zomertortel. De staart is donker met grijze toppen aan de buitenste pennen. Het oog is oranje, met een smalle kale roodachtige oogring. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn bruiner en missen de zwarte halsvlek grotendeels.

Verwarrings­soorten

De roodoogtortel (Streptopelia semitorquata) heeft een doorlopende zwarte halsband, een roze kop met licht voorhoofd en een egaal donkere, niet roestbruin geschubde bovenzijde. De Kaapse tortel (Streptopelia capicola) is veel bleker en kleiner, met een halsband en witte staarthoeken. De combinatie van een zwarte halsvlek en roestbruin geschubde schouders is in het gebied uniek.

Leefgebied

Randen van montaan bos, bosschages en struweel in bergdalen, overgangen naar montaan grasland, en landbouwgrond en tuinen in het hoogland, meestal boven 1500 m. Foerageert op de grond op zaden en graan, vaak in kleine groepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het hoogland van noordelijk Malawi (Nyika-plateau, Misuku-heuvels, Viphya) en aangrenzend noordoostelijk Zambia (Nyika, Mafinga-heuvels). Verder in de hooglanden van Tanzania, Kenia, Oeganda, Rwanda, oostelijk Congo-Kinshasa, Zuid-Soedan en Ethiopië, en in het zuidwesten van Arabië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het Nyika-plateau, rond Chelinda en langs bosranden in de dalen. Vogels zitten 's ochtends vaak op kale takken aan de bosrand of foerageren langs paden. Let op de roestbruine schubbentekening en de zwarte halsvlek. Jaarrond, met enige verplaatsing naar lagere hoogten buiten het broedseizoen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in de Oost-Afrikaanse hooglanden algemeen. In het gebied is het voorkomen klein en geïsoleerd, zodat het behoud van bosranden en struweel op het Nyika-plateau van belang is.

Wetenschappelijke naam

Streptopelia lugens | (Rüppell, 1837)

Rüppell beschreef de soort in 1837 als Columba lugens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Streptopelia werd in 1855 ingevoerd door Bonaparte. Streptopelia is Grieks, van streptos 'halsband, gedraaide ketting' en peleia 'duif', naar de donkere halsband van deze tortels. lugens is Latijn voor 'rouwend' — naar het donkere, sombere verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tarantagebergte en Simien, Ethiopië.