Alle soorten › Zangvogels › Honingzuigers › Shelleys honingzuiger

Shelleys honingzuiger | Cinnyris shelleyi

Shelley's Sunbird | Suimanga de Shelley

Shelleys honingzuiger is een weinig bekende honingzuiger van de valleien van de Zambezi en de Luangwa. Het mannetje combineert een scharlakenrode borstband met een zwarte buik, een combinatie die in het gebied verder alleen Neergaards honingzuiger heeft.

Shelleys honingzuiger (Cinnyris shelleyi)
Foto: Carlo — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een scherp tsjik of tsjiep als roep. De zang is een snelle, hoge, kwetterende reeks, tsjiep-tsjiep-tsjirrrr, gelijkend op die van de Maricohoningzuiger maar dunner.

Luister: ZangXC566522

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12 tot 13 cm, met een middellange, gebogen snavel. Het mannetje heeft een metaalgroene kop, rug en keel, daaronder een smalle glanzend blauwe band en een brede scharlakenrode borstband; buik en onderstaartdekveren zijn dof zwart. Gele pluimpjes aan de borstzijde worden bij het baltsen getoond. Het vrouwtje is olijfbruin boven en vuil geelwit onder met fijne, vage streping op de borst, zonder duidelijke tekening.

Verwarrings­soorten

De oostelijke miombohoningzuiger (Cinnyris manoensis) en de westelijke miombohoningzuiger (Cinnyris gertrudis) hebben een smallere rode band en een grijsolijf, geen zwarte buik. Neergaards honingzuiger (Cinnyris neergaardi) lijkt sterk, maar is kleiner en kortsnaveliger en leeft ver naar het zuidoosten in zandbos. De Maricohoningzuiger (Cinnyris mariquensis) heeft een wijnrode, geen scharlakenrode band. Vrouwtjes zijn in het veld nauwelijks van die van verwante soorten te scheiden en worden het best in gezelschap van een mannetje benoemd.

Leefgebied

Miombo en ander open loofbos met bloeiende bomen, rivierbegeleidend bos, randen van mopaneveld en dichte struiken langs rivieren in warme laaglandvalleien. Bezoekt vooral mistletoe (Loranthaceae) en bloeiende Erythrina- en Brachystegia-randen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied vooral in de valleien van de Luangwa en de midden-Zambezi in Zambia, verder in delen van noordelijk en oostelijk Zambia, Malawi (vooral in het zuiden en langs de Shire), het westen van Mozambique (Tete en Niassa) en schaars in de Zambezivallei van Noord-Zimbabwe. Daarbuiten in het zuidoosten van Congo-Kinshasa en het zuiden van Tanzania; de Tanzaniaanse vogels worden tegenwoordig vaak als aparte soort beschouwd.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de Luangwavallei en langs de Zambezi (Lower Zambezi, Mana Pools) bij bloeiende mistletoe in de droge tijd, van juni tot oktober. Kijk bij elk rood gebandeerd mannetje naar de buik: zwart betekent Shelleys, grijsolijf een van de miombohoningzuigers.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Over het algemeen schaars en onregelmatig verspreid; de trend is onbekend. Kap van rivierbos en miombo vormt een plaatselijke bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Cinnyris shelleyi | Alexander, 1899

Alexander beschreef de soort in 1899 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cinnyris werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Cinnyris gaat terug op het Griekse kinnuris, de naam van een klein vogeltje dat de lexicograaf Hesychius noemt maar dat niet nader te thuisbrengen is. shelleyi eert de Britse ornitholoog George Ernest Shelley (1840–1910), auteur van The Birds of Africa. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zambezi, ± 100 km stroomafwaarts van de samenvloeiing met de Kafue.