Alle soorten › Zangvogels › Honingzuigers › Maricohoningzuiger

Maricohoningzuiger | Cinnyris mariquensis

Marico Sunbird | Suimanga del Marico

De Maricohoningzuiger is de grote honingzuiger met de lange, sterk gebogen snavel van het droge doornveld. Het mannetje draagt onder een metaalgroene keel een brede wijnrode borstband boven een zwarte buik.

Maricohoningzuiger (Cinnyris mariquensis)
Hoofdfoto · Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een droog, hard tsjip-tsjip als contactroep. De zang is een snelle, versnellende reeks hoge, kwetterende noten, tsjip-tsjip-tsjiwi-tsjiwi-tsjirrr, die opgewonden overgaat in een warrig getjilp; vaak vanaf de top van een doornboom.

Luister: ZangXC1077433

Opname: Niall Perrins — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13 tot 14 cm, met een opvallend lange en sterk gebogen snavel. Het mannetje heeft een metaalgroene kop, rug en keel; daaronder volgt een smalle, glanzend blauwe band en dan een brede, wijnrood tot paarsbruin glanzende borstband. De buik is dof zwart. Pluimpjes aan de borstzijde ontbreken. In slecht licht lijkt het hele mannetje donker. Buiten de broedtijd houdt het mannetje zijn prachtkleed grotendeels, maar jonge mannetjes zijn vlekkerig groen en olijf. Het vrouwtje is grijsolijf boven, met een lichte wenkbrauwstreep en donkere oorstreek, en lichtgeel onder met duidelijke donkere streping op borst en flanken.

Verwarrings­soorten

De purperbandhoningzuiger (Cinnyris bifasciatus) is een klein uitgevallen evenbeeld: duidelijk kleiner, met een kortere snavel en een smallere paarse band, en eerder in vochtiger kustbos en rivierbos dan in droog doornveld. Shelleys honingzuiger (Cinnyris shelleyi) heeft een scharlakenrode in plaats van wijnrode borstband. De amethisthoningzuiger (Chalcomitra amethystina) is geheel zwart met een violette keel en groene kruin. Vrouwtjes zijn samen met snavellengte en formaat te benoemen; het gestreepte geelachtige vrouwtje van de Maricohoningzuiger is groter en langer van snavel dan dat van de purperbandhoningzuiger.

Leefgebied

Acaciasavanne, doornveld, droog bosveld, mopaneveld en rivierbegeleidend bos in drogere streken, ook boerenerven en tuinen. Foerageert bij bloeiende acacia's, aloë's, Erythrina en mistletoe (Tapinanthus), en vangt veel insecten en spinnen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid in de drogere savannes van het gebied: zuidelijk Angola, noordelijk en oostelijk Namibië, het grootste deel van Botswana, Zimbabwe, het binnenland van midden- en zuidelijk Mozambique, het zuiden en westen van Zambia, en in Zuid-Afrika Limpopo, Mpumalanga, Noordwest, Gauteng en het noorden van KwaZulu-Natal, met Eswatini. Daarbuiten van Tanzania en Kenia noordwaarts tot Ethiopië, Eritrea en Somalië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een van de algemeenste grote honingzuigers van het Krugerpark, Pilanesberg en de Okavango-randen; let op bloeiende aloë's in de winter en op Tapinanthus-mistletoe in acacia's. Bij een donker mannetje met paarse band eerst naar snavel en formaat kijken: lange, zware snavel en groot formaat wijzen op de Maricohoningzuiger, een kort snaveltje op de purperbandhoningzuiger.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en wijdverspreid, met stabiele aantallen. Profiteert plaatselijk van tuinen en aangeplante nectarplanten.

Wetenschappelijke naam

Cinnyris mariquensis | Smith, 1836

Smith beschreef de soort in 1836 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cinnyris werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Cinnyris gaat terug op het Griekse kinnuris, de naam van een klein vogeltje dat de lexicograaf Hesychius noemt maar dat niet nader te thuisbrengen is. mariquensis verwijst naar de Maricorivier in het noordwesten van Zuid-Afrika, waar de soort voor het eerst werd verzameld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit ten noorden van Kurrichaine, provincie Noordwest, Zuid-Afrika.