Alle soorten › Zangvogels › Wida's › Smalstaartparadijswida

Smalstaartparadijswida | Vidua paradisaea

Long-Tailed Paradise Whydah | Viuda del Paraíso

De smalstaartparadijswida is de paradijswida van het droge doornveld: het broedende mannetje sleept een enorme, spits toelopende zwarte staart achter zich aan. Als broedparasiet legt hij zijn eieren uitsluitend bij de Melba-astrild, waarvan het mannetje ook de zang nadoet.

Smalstaartparadijswida (Vidua paradisaea)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang van het mannetje is een mengsel van eigen schrille, sissende tonen en nauwkeurige nabootsingen van de roepen en de zang van de Melba-astrild, zoals een zacht, kabbelend tsjiep-tsjiep-tsjrrr. De roep is een scherp tsjip.

Luister: ZangXC209990

Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–38 cm; het lichaam meet 15 cm, het mannetje in broedkleed draagt daarbij vier verlengde middelste staartpennen: een kort, breed paar met een draadvormige punt en een zeer lang paar van 20–25 cm dat breed begint en spits toeloopt. Kop, keel, rug en staart zijn zwart, de nek goudgeel tot roomkleurig, de borst warm kastanjebruin en de buik roomwit. Snavel en poten zijn donker. Het vrouwtje en het mannetje buiten de broedtijd zijn musachtig bruin met donkere streping op de rug, bleek beige van onderen en met een markant zwart-wit gestreepte kop: een lichte kruinstreep, zwarte zijkruinstrepen en een zwarte oogstreep. Hun snavel is donkergrijs. In de ruitijd (mei–juni en november) zijn mannetjes met halve staarten en vlekkerige koppen te zien.

Verwarrings­soorten

De breedstaartparadijswida (Vidua obtusa) heeft een kortere, over de hele lengte brede staart met een stompe punt, en een donkerder, meer kastanjebruine borst met een smallere gele nekband; hij leeft vooral in miombo. De hanenstaartwidavink (Euplectes progne) is veel groter en geheel zwart met een rode en beige schoudervlek. Het vrouwtje lijkt op dat van de dominicanerwida (Vidua macroura) en de koningswida (Vidua regia), maar die hebben een rode of roze snavel; het vrouwtje van de breedstaartparadijswida is in het veld vrijwel niet te onderscheiden.

Leefgebied

Droge acaciasavanne, doornveld, Kalahari-doornveld en mopaneveld, vaak bij water en op kale plekken in het gras. Eet zaden van de grond, meestal samen met astrilden en andere zaadeters. Legt zijn eieren in de nesten van de Melba-astrild (Pytilia melba); de jongen dragen dezelfde bekvlekken als de waardjongen en groeien samen met hen op.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid in de droge savanne van het noorden van het gebied: noordelijk Zuid-Afrika (Limpopo, Noordwest, Mpumalanga, het noorden van KwaZulu-Natal en de Kalahari in de Noord-Kaap), Eswatini, Botswana, het noorden en midden van Namibië, Zimbabwe, zuidelijk en midden-Mozambique, het zuiden van Zambia, Malawi en het zuiden van Angola. Daarbuiten in Oost-Afrika tot in Zuid-Soedan, Ethiopië en Somalië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van januari tot april in het Krugerpark, in de Waterberg of in de Kalahari, wanneer de mannetjes hun volle staart hebben. Het baltsende mannetje vliegt hoog en golvend met de staart als een rechte pluim omhoog, of hangt fladderend boven het vrouwtje; zo is hij van ver te herkennen. Waar een Melba-astrild zingt, is een paradijswida zelden ver.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en algemeen in geschikte savanne. De soort wordt gevangen voor de handel in kooivogels, maar dat heeft geen merkbare invloed op de aantallen.

Wetenschappelijke naam

Vidua paradisaea | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Emberiza paradisaea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vidua werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Vidua is het Latijnse woord voor 'weduwe'. paradisaea is Latijn voor 'van het paradijs' — naar de prachtige, lange staartveren van het mannetje in broedkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Angola.