Alle soorten › Zangvogels › Spreeuwen › Spitsstaartspreeuw

Spitsstaartspreeuw | Poeoptera lugubris

Narrow-Tailed Starling | Estornino Rabilargo

De spitsstaartspreeuw is een kleine, slanke, donker glanzende spreeuw met een lange, smalle, spitse staart, die in groepen in het bladerdak van het Centraal-Afrikaanse regenwoud leeft. In het gebied komt hij alleen in de bossen van het noorden van Angola voor.

Spitsstaartspreeuw (Poeoptera lugubris)
Foto: avocat — CC BY 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een ijl, hoog en metalig getjilp, tsjiep of tsweet, voortdurend herhaald door groepen in vlucht en in de kroon; ook een zacht, kwetterend gezang.

Luister: RoepXC1145857

Opname: Albert Vrielink — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–24 cm, waarvan een groot deel staart; de staart van het mannetje is lang, smal en sterk getrapt, die van het vrouwtje korter. Het mannetje is geheel zwart met een donkere paarsblauwe glans; het vrouwtje is grijzer en doffer, met roodbruine handpennen die vooral in vlucht opvallen. Beide seksen hebben een lichtgeel oog. Jonge vogels zijn doffer, met een donkerder oog. Vliegt snel en recht, in hechte groepjes die onder hoog getjilp boven het bladerdak oversteken.

Verwarrings­soorten

De kastanjevleugelspreeuw Onychognathus fulgidus is veel groter, met een rood oog en bij beide seksen roodbruine vleugels. De prachtglansspreeuw Lamprotornis splendidus is groter en gedrongener, met een bredere, kortere staart en een veel sterkere groenblauwe glans. De bosdrongo Dicrurus modestus heeft een gevorkte staart en een rood oog en jaagt vanaf een vaste uitkijkpost. In vlucht en van onderen is het silhouet met de lange, spitse staart kenmerkend.

Leefgebied

Het bladerdak en de randen van vochtig laagland- en escarpmentbos, secundair bos, open plekken met hoge dode bomen en oude koffieplantages onder schaduwbomen. Eet vooral vruchten, zoals vijgen, en insecten. Broedt in kolonies in holtes van hoge dode bomen, vaak in oude baardvogel- of spechtengaten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het noorden van Angola: Uíge, Cuanza Norte, Bengo en Malanje. Buiten het gebied van Sierra Leone en Guinee door de Guinese bosgordel en het Congobekken tot het westen van Oeganda, het westen van Kenia en het noordwesten van Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. Het Damengola-bos bij Quitexe in Uíge en de bossen rond Canzele in Cuanza Norte zijn goede plekken. Zoek hoge dode bomen aan bosranden af: daar broeden en rusten de groepjes, en het hoge getjilp verraadt ze eerder dan het silhouet.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in het Centraal-Afrikaanse woud vrij algemeen. In Angola beperkt tot het slinkende bos in het noordwesten.

Wetenschappelijke naam

Poeoptera lugubris | Bonaparte, 1854

Bonaparte beschreef de soort in 1854 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Poeoptera voerde hij in datzelfde werk in. Poeoptera komt van het Griekse phaios, 'grijs', en -pteros, 'gevleugeld' — dus 'grijsvleugel'. lugubris is Latijn voor 'treurig, rouwend' — naar het donkere, sombere verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit geen vindplaats vermeld; later als Gabon aangenomen.