Alle soorten › Zangvogels › Klauwieren › Turkestaanse klauwier
Turkestaanse klauwier | Lanius phoenicuroides
Red-Tailed Shrike | Alcaudón Colirrojo
De Turkestaanse klauwier broedt in de steppen en halfwoestijnen van Centraal-Azië en overwintert gewoonlijk in Arabië en het noordoosten van Afrika. In zuidelijk Afrika is hij een uiterste zeldzaamheid: er zijn slechts enkele gevallen van bleke, roodstaartige klauwieren bekend, en niet alle daarvan zijn zeker tot op soort gebracht. Wie in het doornveld een bruine klauwier met een roestrode staart ziet, heeft reden om goed te kijken en te fotograferen.
Geluid
In het overwinteringsgebied vrijwel stil. Bij onraad een hard tsjek of een schor tsjerr, vergelijkbaar met dat van de grauwe klauwier.
Opname: Hsishu — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
17–18 cm. Van boven zandbruin tot grijsbruin, met een warmer roestbruine kruin die afsteekt tegen de rug. Een zwart masker loopt van de snavel door het oog, met daarboven een smalle witte wenkbrauwstreep. Stuit en staart zijn helder roestrood. De onderzijde is wit met een lichte zandkleurige waas op de flanken. Het mannetje heeft vaak een klein wit vlekje aan de basis van de handpennen. Het vrouwtje is doffer, met een bruiner masker en fijne schubben op de zijkanten van de borst. Eerstejaars zijn geschubd op kruin en flanken, met een bleek masker.
Verwarringssoorten
Vrouwtjes en jonge grauwe klauwieren Lanius collurio, die in dezelfde landschappen talrijk zijn, zijn donkerder en warmer bruin van boven, sterker geschubd van onderen en hebben een bruine, geen roestrode staart. De Daurische klauwier Lanius isabellinus, die als zeldzaamheid eveneens in aanmerking komt, is egaler bleek zandkleurig met een kruin in de kleur van de rug en een minder scherp masker; het onderscheid tussen beide is lastig en vereist goede foto's.
Leefgebied
Droge, open landschappen met lage struiken: acaciadoornveld, Kalahari-doornveld en struikrijke delen van de Karoo, en in de broedgebieden steppe en halfwoestijn met struwelen. Jaagt als andere klauwieren vanaf een lage uitkijkpost op grote insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied alleen als dwaalgast: er zijn enkele meldingen van roodstaartige klauwieren uit onder meer Zambia, Botswana, Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika, waarvan een deel aan deze soort is toegeschreven. Broedt van Iran en Afghanistan tot Kazachstan en het westen van China, en overwintert in Arabië, het zuiden van Iran en Pakistan en het noordoosten van Afrika tot Kenia en het noorden van Tanzania.
Hoe en wanneer kijken
Een geluksvondst, het meest waarschijnlijk van november tot maart tussen grauwe klauwieren in droog doornveld. Fotografeer de vogel van opzij en van achteren, met aandacht voor kruin, masker, staart en handpennen, en meld de waarneming bij de nationale zeldzaamhedencommissie.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort heeft een groot broedgebied en de populatie wordt als stabiel beschouwd. Plaatselijk speelt verlies van struikrijke steppe door overbegrazing en landbouw een rol.
Wetenschappelijke naam
Lanius phoenicuroides | (Schalow, 1875)
Schalow beschreef de soort in 1875 als Otomela phoenicuroides; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lanius werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Lanius is Latijn voor 'slager', naar de gewoonte van klauwieren om prooien op doorns en prikkeldraad te spietsen. phoenicuroides betekent 'lijkend op een roodstaart', naar het geslacht Phoenicurus, van Grieks phoinix 'rood' en -ouros 'gestaart', naar de roestrode staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Shymkent in Kazachstan.


