Alle soorten › Zangvogels › Klauwieren › Eksterklauwier

Eksterklauwier | Urolestes melanoleucus

Magpie Shrike | Alcaudón Pío

De eksterklauwier is met zijn zeer lange, getrapte staart de grootste en meest opvallende klauwier van het gebied. Hij leeft in luidruchtige groepen van drie tot tien vogels, die samen een territorium verdedigen en samen de jongen grootbrengen. Een rij zwart-witte silhouetten op de toppen van doornbomen is een vertrouwd beeld in de savanne.

Eksterklauwier (Urolestes melanoleucus)
Foto: New Jersey Birds — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Heldere, vloeiende fluittonen, pie-lie-joe en tweeloe, vaak door meerdere groepsleden tegelijk gezongen, met daarbij vleugelzwaaien en staartwippen. Bij onraad een raspende, hoge tsjrrr en een reeks harde klikken.

Luister: RoepXC1155524

Opname: Marna Buys — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

40–50 cm, waarvan meer dan de helft staart. Het verenkleed is glanzend zwart, met een brede witte streep langs de schouders die een V op de rug vormt, een witte vlek aan de basis van de handpennen en een grijswitte stuit. De snavel is zwaar, zwart en gehaakt. De staart is lang, smal en getrapt. Het vrouwtje heeft een kortere staart en een witte vlek op de flanken, die bij het mannetje zwart zijn. Jonge vogels zijn doffer, bruinzwart met fijne bandering en een kortere staart. Vliegt met snelle vleugelslagen en een golvende staart laag van boom naar boom.

Verwarrings­soorten

De zuidelijke gekraagde klauwier Lanius collaris is veel kleiner, met een witte onderzijde en een kortere staart. De hanenstaartwidavink Euplectes progne heeft in broedkleed ook een lange zwarte staart, maar een rode en witte schoudervlek, een kegelsnavel en leeft in grasland. De smalstaartparadijswida Vidua paradisaea heeft een bruine en gele borst en brede, vlakke staartpennen. De treurdrongo Dicrurus adsimilis is geheel zwart met een gevorkte staart.

Leefgebied

Open acaciasavanne, doornveld en gemengd bosveld met verspreide hoge bomen en een grazige of kale bodem, ook de randen van mopaneveld en landbouwgebied met bomen. Jaagt vanaf een hoge uitkijkpost op grote insecten, hagedissen en kleine knaagdieren, die hij op de grond pakt en soms aan doorns spietst.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in Botswana (vooral het noorden en oosten), het noorden en noordoosten van Namibië, Zimbabwe (vooral het westen en het laagveld), het zuiden van Mozambique, het zuidwesten van Zambia en het uiterste zuidoosten van Angola, en in Zuid-Afrika in de Limpopo, Mpumalanga, Noordwest, het noorden van de Noord-Kaap en Zululand, tot in het oosten van Eswatini. Daarbuiten een aparte populatie in Kenia en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond; het best in het vroege ochtendlicht, wanneer de groep op een boomtop zit te zonnen en te roepen. Goed te zien in het Kruger Park, de Pilanesberg en de Okavango-randen. Blijf op afstand: de groep laat zich dan rustig bekijken, terwijl de vogels afwisselend naar de grond duiken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen in geschikt gebied. Plaatselijk teruggelopen door ontbossing en bosverdichting (verbossing) van savannes, maar de soort profiteert ook van beheerde savannes in wildreservaten.

Wetenschappelijke naam

Urolestes melanoleucus | (Jardine, 1831)

Jardine beschreef de soort in 1831 als Lanius melanoleucus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Urolestes werd in 1851 ingevoerd door Cabanis. Urolestes komt van het Griekse oura, 'staart', en lēstēs, 'rover' — een klauwier, de klassieke 'rover', met een opvallend lange staart. melanoleucus komt van het Griekse melas, 'zwart', en leukos, 'wit' — naar het zwart-witte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Oranjerivier.