Alle soorten › Zangvogels › Buulbuuls › Vale buulbuul

Vale buulbuul | Andropadus importunus

Sombre Greenbul | Bulbul de Zanzíbar

De vale buulbuul is een egaal olijfgroene buulbuul met een opvallend witte iris, die in dicht struikgewas en kustbos van het oosten van het gebied veel vaker gehoord dan gezien wordt. Zijn luide, fluitende roep, in het Engels traditioneel weergegeven als Willie!, is een van de bekendste geluiden van de oostkust van zuidelijk Afrika.

Vale buulbuul (Andropadus importunus)
Foto: https://www.flickr.com/photos/dkeats — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De bekendste roep is een luid, helder, fluitend wie-li of wiep, vaak gevolgd door een snelle, borrelende reeks tonen die in een dalend, klagend skeeerr eindigt; ook korte, borrelende strofen en een nasaal gebabbel. Roept de hele dag, ook in de hitte van het middaguur.

Luister: ZangXC1166408

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

17–19 cm, slank, met een vrij lange staart en een fijne, donkere snavel. Vogels van het zuiden (nominaatvorm) zijn van boven dof olijfgroen en van onderen grijsolijf, met een iets lichtere keel en een vage gelige waas op de buik. Vogels van het noordoosten van Zuid-Afrika, Zimbabwe, Mozambique en Malawi zijn duidelijk geler van onderen. Het beste kenmerk is de witte tot roomkleurige iris, die het gezicht een starende uitdrukking geeft. De poten zijn donkergrijs. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben een donkere iris en zijn doffer, zodat ze lastiger te herkennen zijn.

Verwarrings­soorten

De geelborstbuulbuul Chlorocichla flaviventris is groter en zwaarder, heeft een felgele onderzijde, een witte ooglidhalvemaan boven een donker oog en leeft in luidruchtige groepjes. De Kaapse loofbuulbuul Phyllastrephus terrestris is bruin met een witte keel en een donker oog en foerageert in groepjes op of vlak boven de grond. De groene buulbuul Eurillas virens is kleiner, heeft een donker oog en leeft verscholen in de ondergroei van bos in Zimbabwe en Mozambique. De streepwangbuulbuul Arizelocichla milanjensis heeft grijze, fijn gestreepte wangen en leeft in bergbos. Jonge vogels met een donker oog zijn vooral aan de roep en het gedrag te herkennen.

Leefgebied

Dicht struikgewas, kustbos en duinbos, rivier- en oeverbos, de randen van laaglandbos, valleiruigte en struweel; ook in parken en boomrijke tuinen in steden aan de kust. Leeft solitair of in paren in het middenniveau van het struikgewas en eet vruchten, bessen en insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied in het zuiden en oosten van Zuid-Afrika, van de zuidkust van de West-Kaap oostwaarts door de Oost-Kaap en KwaZulu-Natal tot het laagveld van Mpumalanga en Limpopo; verder in Eswatini, in het oosten en zuidoosten van Zimbabwe, vrijwel geheel Mozambique en het zuiden van Malawi. Daarbuiten langs de kust van Oost-Afrika noordwaarts via Tanzania, Zanzibar en Kenia tot het zuiden van Somalië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond; bijna overal in kustbos en oeverbos van het oosten te horen. Het fluitende wie-li is het beste aanknopingspunt; wacht in de buurt van de roepende vogel tot hij even vrij op een tak gaat zitten en kijk naar het witte oog. Goede plekken zijn onder meer de kustbossen van KwaZulu-Natal, het oosten van het Krugerpark en de omgeving van Maputo.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen en wijdverspreid. Past zich goed aan tuinen en verstoord struikgewas aan, en profiteert plaatselijk van exotische vruchtdragende struiken.

Wetenschappelijke naam

Andropadus importunus | (Vieillot, 1818)

Vieillot beschreef de soort in 1818 als Turdus importunus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Andropadus werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Andropadus komt van het Griekse anēr, andros, 'man', en opados, 'begeleider, volger'. De grauwe buulbuul gold als lastpost, omdat hij jagers volgde en met zijn aanhoudende gekwetter andere vogels en wild waarschuwde. importunus is Latijn voor 'lastig, onbeschaamd'; Levaillant (1802) noemde de vogel 'L'Importun' omdat hij jagers volgde en andere vogels waarschuwde met zijn luide, irritante en aanhoudende roep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Outeniquabos, West-Kaap, Zuid-Afrika.