Alle soorten › Stormvogelachtigen › Zuidelijke stormvogeltjes › Wilsons stormvogeltje

Wilsons stormvogeltje | Oceanites oceanicus

Wilson's Storm Petrel | Paíño de Wilson

Wilsons stormvogeltje is het talrijkste stormvogeltje in de wateren rond zuidelijk Afrika en waarschijnlijk een van de talrijkste vogels ter wereld. Het broedt op de kusten van Antarctica en subantarctische eilanden en trekt na de broedtijd over de evenaar tot ver in de Noord-Atlantische Oceaan. Achter vissersboten fladdert het met hangende poten over het water, alsof het over de golven loopt.

Wilsons stormvogeltje (Oceanites oceanicus)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee meestal zwijgzaam; foeragerende groepjes laten soms een zacht, snel getjilp horen, tsik-tsik-tsik. In de broedkolonie klinkt uit de holen een raspend gekoer.

Luister: AlarmroepXC882200

Opname: Fabrice Schmitt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 18 cm, zwartbruin met een brede, helderwitte stuit die doorloopt tot op de zijkanten van de onderstaart. Een lichte, grijsbruine band over de armdekveren is in vlucht goed te zien. De vleugels zijn vrij kort en afgerond aan de hand, met een vrijwel rechte achterrand; de staart is recht afgesneden. De lange poten steken duidelijk voorbij de staartpunt uit, en de zwemvliezen hebben een gele kern die alleen van dichtbij te zien is. De seksen zijn gelijk. De vlucht is direct en vrij recht, met ondiepe vleugelslagen en korte glijvluchten; bij het foerageren blijft de vogel met opgeheven vleugels en tippende poten boven één plek hangen.

Verwarrings­soorten

Het stormvogeltje (Hydrobates pelagicus) is kleiner, heeft een witte streep op de ondervleugel, geen poten voorbij de staart en een meer fladderende, vleermuisachtige vlucht. Het vaal stormvogeltje (Hydrobates leucorhous) heeft een gevorkte staart, langere, gehoekte vleugels, een smallere, vaak in het midden gedeelde stuit en een grillige, sternachtige vlucht. Het Madeirastormvogeltje (Hydrobates castro) heeft een smallere witte stuit die minder ver naar de onderstaart doorloopt, kortere poten en een vlucht met meer glijden.

Leefgebied

Open zee boven het continentaal plat en de plathelling, vooral in de koude, voedselrijke Benguelastroom en langs fronten waar water opwelt. Verzamelt zich in groepen rond vissersboten, trawlers en olievlekken van visafval. Pikt kleine kreeftachtigen, vislarven en vetdruppels van het wateroppervlak. Broedt in rotsspleten en holen op Antarctische kusten en eilanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Op zee voor de hele kust van het gebied, het talrijkst voor Namibië en de west- en zuidkust van Zuid-Afrika, in kleinere aantallen voor Angola en langs de oostkust tot in Mozambique. Rond de Prins Edwardeilanden een doortrekker. Broedt op het Antarctisch Schiereiland, langs de Antarctische kust en op subantarctische eilanden, en trekt in de zuidelijke winter naar alle oceanen tot ver op het noordelijk halfrond.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op een pelagische tocht vanuit Kaapstad of Simonstad naar de trawlers aan de rand van het plat is de soort vrijwel gegarandeerd, vaak met tientallen tegelijk in het kielzog. Vanaf de wal zelden te zien, hooguit na zware noordwestelijke stormen in de Tafelbaai of bij Kaap Punt. Let op het huppelen met de poten op het water en de witte stuit die als een lampje aan- en uitgaat.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de wereldpopulatie telt vele miljoenen paren. Ratten en andere ingevoerde predatoren op broedeilanden en verlichting van schepen die 's nachts vogels aantrekt zijn plaatselijke bedreigingen. Veranderingen in de hoeveelheid krill in de Zuidelijke Oceaan kunnen op termijn gevolgen hebben.

Wetenschappelijke naam

Oceanites oceanicus | (Kuhl, 1820)

Kuhl beschreef de soort in 1820 als Procellaria oceanica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oceanites werd in 1840 ingevoerd door Keyserling & Blasius. Oceanites is Grieks, Ōkeanitēs: een Oceanide, een van de zeenimfen die als dochters van Okeanos en Tethys golden. oceanicus is Latijn voor 'van de oceaan', naar het leven op volle zee. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Georgië.