Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Witbrauwwaaierstaart

Witbrauwwaaierstaart | Cercotrichas leucophrys

White-Browed Scrub Robin | Alzacola Dorsirrojo

De witbrauwwaaierstaart is de meest verbreide waaierstaart van het gebied, een schuwe maar luidruchtige bewoner van dicht struweel in savanne en bosveld. In de broedtijd zingt het mannetje vanaf een struikkruin, ook op het heetst van de dag en 's nachts, een eindeloze herhaling van dezelfde korte fluitfrase.

Witbrauwwaaierstaart (Cercotrichas leucophrys)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een luide, eindeloos herhaalde fluitfrase zoals twie-tsjoe-tsjierie, per mannetje met varianten en lang achter elkaar doorgezet, overdag en in maanverlichte nachten. De alarmroep is een droog, ratelend trrrrr; daarnaast een scherp tsjik.

Luister: ZangXC1155329

Opname: Rory Nefdt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een waaierstaart van 15 cm. De bovendelen zijn grijsbruin in het zuiden en warmer roodbruin bij de noordelijke rassen; stuit en staartbasis zijn roodbruin, de staart verder donker met witte toppen. Een brede witte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep tekenen de kop. Op de vleugel twee witte vleugelstrepen en witte randen aan de tertials. De keel is wit, borst en flanken zijn bij zuidelijke vogels duidelijk zwart gestreept, bij noordelijke rassen veel minder. De seksen zijn gelijk. Wipt en waaiert voortdurend met de staart en laat de vleugels hangen.

Verwarrings­soorten

De Kalahariwaaierstaart (Cercotrichas paena) is lichter en zandkleurig, heeft een ongestreepte borst, geen witte vleugelstrepen en een zwarte band in de staart; hij leeft in open, droog doornveld. De streepkopwaaierstaart (Tychaedon quadrivirgata) heeft oranje borst en flanken, een zwart-witte baardstreep en geen vleugelstrepen, en leeft in dichter bosveld en kustbos. De baardwaaierstaart (Tychaedon barbata) van miombo lijkt daar sterk op. De bruinrugwaaierstaart (Cercotrichas hartlaubi) van Angola heeft een effen bruine rug en een vrijwel ongestreepte borst.

Leefgebied

Acaciasavanne, gemengd bosveld en mopaneveld met dichte struiken, struweel rond termietheuvels, oeverstruweel, verruigde akkerranden en bosranden in het kustgebied. Foerageert op de grond en laag in struiken op insecten, vooral mieren, termieten en kevers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijd verbreid in Angola, Zambia, Malawi, Mozambique en Zimbabwe, in het noorden en oosten van Botswana, het noorden van Namibië en in Zuid-Afrika in Limpopo, Mpumalanga, Gauteng, North West, KwaZulu-Natal en het noordoosten van de Oost-Kaap; verder in Eswatini. Daarbuiten noordwaarts via Congo-Kinshasa, Tanzania en Kenia tot Zuid-Soedan en Somalië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Luister naar de hardnekkig herhaalde fluitfrase, die je in het bosveld vaak hoort voordat je de vogel ziet. Kijk daarna naar de top van de struiken rond de zanger. Buiten de broedtijd is hij stiller en vooral te zien als hij even over een pad rent met de staart omhoog. Witte vleugelstrepen plus gestreepte borst onderscheiden hem van alle andere waaierstaarten in het zuiden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is algemeen en wijd verbreid, en de aantallen zijn stabiel. Zij verdraagt begrazing en verstruiking goed en komt ook in verstoorde savanne en rond boerderijen voor.

Wetenschappelijke naam

Cercotrichas leucophrys | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Sylvia leucophrys; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cercotrichas werd in 1831 ingevoerd door Boie. Cercotrichas is Grieks, van kerkos 'staart' en trikhas 'lijster'. leucophrys combineert het Griekse leukos, 'wit', met ophrus, 'wenkbrauw' — naar de duidelijke witte wenkbrauwstreep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gamtoosrivier, Oost-Kaap, Zuid-Afrika.