Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Witrugeend

Witrugeend | Thalassornis leuconotus

White-Backed Duck | Pato Dorsiblanco

De witrugeend is een kleine, gedrongen duikeend met een grote kop, een korte staart en een brede snavel, die laag in het water ligt en veel onder water verdwijnt. De witte rug waaraan hij zijn naam dankt, is alleen in de vlucht of bij het poetsen te zien. Ondanks het uiterlijk hoort hij bij de verwanten van de fluiteenden, niet bij de echte duikeenden.

Witrugeend (Thalassornis leuconotus)
Foto: Timothy Whitehead — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, fluitend en oplopend tu-wie of whie-whie, vooral bij het opvliegen en tussen de leden van een paar; verder een laag gekoer. Grotendeels stil.

Luister: RoepXC809424

Opname: Luke Goddard — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 40 cm, warm geelbruin met fijne donkere en lichte bandering op rug, flanken en borst; de kop is zwart gespikkeld op een roomkleurige grond, met een opvallende witte vlek tussen snavelbasis en oog. De snavel is zwartachtig met gele spikkels, de ogen zijn donker. In de vlucht, die zelden en laag boven het water gaat, vallen de witte rug en de ongetekende, korte vleugels op; de poten steken voorbij de staart uit. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een minder scherpe witte vlek.

Verwarrings­soorten

De dodaars Tachybaptus ruficollis ligt even laag en duikt op dezelfde manier, maar is kleiner, heeft een dunne spitse snavel, geen witte vlek bij de snavel en in broedkleed een roodbruine hals. Het vrouwtje van de Afrikaanse stekelstaart Oxyura maccoa heeft een lichte streep onder het oog en een lichte keel in plaats van een ronde vlek, en houdt de stijve staart vaak schuin omhoog. Het vrouwtje van de bruine krooneend Netta erythrophthalma is groter, egaal donkerbruin, met een lichte halvemaan achter het oog.

Leefgebied

Rustige, tamelijk diepe zoete wateren met veel drijvende planten en randbegroeiing: pannen, dammen, rustige lagunes en overstroomde vlakten. Duikt tot een halve minuut lang naar zaden en knollen van waterlelies en naar insectenlarven. Het nest is een platform van plantenmateriaal in de oevervegetatie, soms drijvend, dicht bij open water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Verspreid en plaatselijk over het oosten en noorden van het gebied: Zimbabwe, de Okavango en het noorden van Botswana, Mozambique, Zambia, Malawi en Angola, en in Zuid-Afrika in KwaZulu-Natal, Mpumalanga, Limpopo en het hoogveld; dwaalt naar de Oostkaap en de Zambezistrook van Namibië. Buiten het gebied verspreid en lokaal in Afrika ten zuiden van de Sahara en met een eigen ondersoort op Madagaskar.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Scan rustige dammen met waterlelies in de vroege ochtend, wanneer de vogels aan de rand van de drijvende bladeren liggen te rusten. Omdat ze lang onder water blijven, is geduld nodig; tel na een duik af en kijk een eindje verder. De witte rug zie je alleen als een vogel opvliegt of zich opricht om de vleugels uit te slaan.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in grote delen van het gebied schaars en onregelmatig. Gevoelig voor het droogvallen en dichtgroeien van pannen, en voor verstoring door boten en vissers. Van dammen met stabiel water en drijvende vegetatie profiteert hij plaatselijk.

Wetenschappelijke naam

Thalassornis leuconotus | Eyton, 1838

Eyton beschreef de soort in 1838 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Thalassornis voerde hij in datzelfde werk in. Thalassornis komt van het Griekse thalassa, 'zee', en ornis, 'vogel' — een wat misleidende naam voor een eend die vooral op zoetwatermeren en moerassen leeft. leuconotus komt van het Griekse leukos, 'wit', en notos, 'rug' — naar de witte rug, die vooral in vlucht zichtbaar is. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.