Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Witrugkwak
Witrugkwak | Calherodius leuconotus
White-Backed Night Heron | Martinete Encapuchado
De witrugkwak is een schuwe, nachtactieve reiger van beboste rivieroevers, met een zwarte kop, enorme ogen en een witte vlek op de rug die alleen in de vlucht of bij het poetsen zichtbaar wordt. Overdag zit hij verscholen in dichte oeverbegroeiing en wordt hij zelden gezien.
Geluid
Meestal zwijgzaam. Bij verstoring of in de vlucht een diep, rauw kraak of taak; bij het nest zachte, krassende geluiden.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
50–55 cm. Gedrongen, met een grote kop en een korte, zware zwarte snavel. Kop en korte kuif zijn zwart; het zeer grote, donkerbruine oog wordt omringd door een opvallende bleekgele tot witte naakte huid. De keel is wit, de hals en borst roestbruin tot kastanjebruin, de buik vuilwit. Rug en vleugels zijn donker leibruin, met een witte vlek midden op de rug die meestal door de schouderveren wordt bedekt. De poten zijn geelgroen en vrij kort. Jonge vogels zijn bruin met witte spikkels op de vleugeldekveren en lichtere strepen op de onderdelen. Vliegt met ingetrokken hals op snelle, diepe vleugelslagen, laag boven het water.
Verwarringssoorten
De kwak Nycticorax nycticorax is groter en bleker, met een grijze hals, grijze vleugels, een zwarte mantel en een rood oog, en leeft in opener moerasgebied. Jonge kwakken lijken op jonge witrugkwakken, maar hebben een oranje oog en een langere, gele snavelbasis. De mangrovereiger Butorides striata is kleiner, met een grijze hals, een groengrijze rug met lichte veerzomen en geen witte oogring.
Leefgebied
Rivieren en beken met dichte, overhangende oeverbegroeiing, bosrijke eilandjes, mangroven en beschaduwde oevers van meren en dammen. Jaagt vooral in de schemering en 's nachts vanaf een lage tak of aan de waterlijn op vissen, kikkers, krabben en waterinsecten. Het nest is een platform van takken laag in een boom of struik boven het water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Plaatselijk en schaars in het noorden en oosten van het gebied: de Okavango en de Chobe in Botswana, de Caprivi en de Kavango in Namibië, de Zambezi en het oosten van Zimbabwe, Zambia, Malawi, Mozambique en Angola; in Zuid-Afrika langs de rivieren van het Krugerpark en het laagveld van Mpumalanga en Limpopo, in Eswatini en KwaZoeloe-Natal, zuidelijk tot de rivieren van de oostelijke Oost-Kaap. Buiten het gebied verspreid over West-, Centraal- en Oost-Afrika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Vaar in de schemering langs de beboste oevers van de Okavango of de Chobe, of zoek bij rivieren in het Krugerpark, zoals de Sabie, onder overhangende takken. Een zaklamp in het donker weerkaatst in de grote ogen. Overdag loont het om vanuit een boot geduldig de schaduw onder de oeverbomen af te speuren.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, maar door zijn verborgen leefwijze waarschijnlijk vaak over het hoofd gezien. In Zuid-Afrika geldt de soort nationaal als kwetsbaar door het verlies van oeverbos, erosie, dambouw en verstoring van rivieren.
Wetenschappelijke naam
Calherodius leuconotus | (Wagler, 1827)
Wagler beschreef de soort in 1827 als Ardea Leuconotus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calherodius werd in 1855 ingevoerd door Bonaparte. Calherodius lijkt samengesteld uit het Griekse kalos, 'mooi', en erōdios, 'reiger' — 'mooie reiger'. leuconotus komt van het Griekse leukos, 'wit', en nōtos, 'rug' — naar de witte rugvlek, zichtbaar in vlucht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegambia.

