Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Zwarte koekoek

Zwarte koekoek | Cuculus clamosus

Black Cuckoo | Cuco Negro

De zwarte koekoek is een geheel zwarte koekoek die zich in de zomer vooral laat horen: een klagend, driedelig fluitje dat in het bosveld dag en nacht klinkt. Hij parasiteert vrijwel uitsluitend op fiskalen van het geslacht Laniarius, zoals de waterfiskaal en Burchells fiskaal.

Zwarte koekoek (Cuculus clamosus)
Foto: Dave Brown — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een langgerekt, klagend driedelig fluitje, hoe-hoe-hwieeh, waarbij de laatste toon oploopt; vaak omschreven als I'm so sick. Daarnaast een opgewonden, versnellende reeks jow-jow-jow-jow die in een duet tussen mannetje en vrouwtje kan overgaan. Roept vanaf een verborgen post in de kroon, ook 's nachts.

Luister: ZangXC977985

Opname: Ehren Eksteen — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

29–31 cm. Volwassen vogels zijn dofzwart met een zwakke blauwe of groene glans op de bovendelen; sommige vogels hebben een vage, fijne lichtere bandering op buik en onderstaart. De staart is lang, afgerond en zwart, met smalle witte toppen die in de vlucht zichtbaar zijn. De snavel is zwart, het oog donkerbruin, de poten zwartachtig tot grijs. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn doffer bruinzwart zonder glans. In de vlucht lijkt de vogel op een valk of sperwer, met spitse vleugels en snelle, ondiepe vleugelslagen.

Verwarrings­soorten

De treurdrongo (Dicrurus adsimilis) is kleiner, heeft een diep gevorkte staart, een rood oog en een rechtopstaande, drongo-achtige houding. Het mannetje van de Kaapse rupsvogel (Campephaga flava) is kleiner, heeft een oranjegele mondhoek en vaak een gele schoudervlek. De donkere vorm van de jacobijnkoekoek (Clamator jacobinus) heeft een kuif en een witte vlek in de handpennen. Jonge heremietkoekoeken (Cuculus solitarius) zijn zwartachtig maar hebben witte veerrandjes en een gebandeerde buik.

Leefgebied

Dicht bosveld, miombo, oeverbos, bosranden en struweel met hoge bomen, ook in tuinen en parken in het oosten. Leeft vooral van harige rupsen die hij in de kroon verzamelt. Legt zijn eieren vrijwel alleen bij fiskalen van het geslacht Laniarius, in het gebied vooral de waterfiskaal, de tropische fiskaal en Burchells fiskaal.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid over het oosten en noorden van het gebied: van de Oost-Kaap door KwaZulu-Natal, Eswatini, Mpumalanga, Limpopo en Gauteng tot in Zimbabwe, Mozambique, Malawi, Zambia, Botswana, noordelijk en midden-Namibië en Angola. Ontbreekt in de West-Kaap, de Karoo en de Namib. Buiten het gebied verspreid over het grootste deel van Afrika ten zuiden van de Sahara; zuidelijke broedvogels trekken in de winter naar Centraal-Afrika.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van november tot januari, vooral in de hitte van de middag en op warme nachten, wanneer het klagende fluitje eindeloos herhaald wordt. De vogel zit verscholen in het bladerdak; wacht tot hij van boom naar boom vliegt of wordt achtervolgd door een fiskaal, waarbij de lange staart en valkachtige vlucht opvallen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in het grootste deel van het gebied vrij algemeen. De aantallen lijken stabiel; de soort profiteert van struweel en tuinen waar fiskalen broeden.

Wetenschappelijke naam

Cuculus clamosus | Latham, 1801

Latham beschreef de soort in 1801 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cuculus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Cuculus is het Latijnse woord voor de koekoek. clamosus is Latijn voor 'luidruchtig, schreeuwerig' — naar de aanhoudende, klaaglijke roep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cradock, Oost-Kaap, Zuid-Afrika.