Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Zwarte miertapuit

Zwarte miertapuit | Myrmecocichla nigra

Sooty Chat | Zorzal Hormiguero Negro

De zwarte miertapuit is de glanzend zwarte tapuit van de korte graslanden, dambo's en afgebrande vlakten in het noorden van het gebied. Hij zit rechtop op termietheuvels, paaltjes en struiktoppen, en het mannetje toont in vlucht een helderwitte schoudervlek.

Zwarte miertapuit (Myrmecocichla nigra)
Hoofdfoto · Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een korte, heldere zang van fluitende en tjilpende noten, vaak in een korte zangvlucht of vanaf een termietheuvel. De roep is een zacht fwiet en een scherp tsjik; bij verstoring een ratelend tsjrrr.

Luister: ZangXC444923

Opname: James Bradley — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

17–18 cm, een gedrongen, rechtop zittende tapuit. Het mannetje is geheel glanzend blauwzwart met een witte vlek op de kleine vleugeldekveren, die zittend soms bijna verborgen is maar in de vlucht opvalt; in de handpennen zit geen wit. Het vrouwtje is effen donker chocoladebruin, zonder witte schoudervlek, met iets lichtere randen aan de vleugelveren. Snavel en poten zijn zwart. Jonge vogels lijken op het vrouwtje. Zit opvallend op verhogingen, wipt met de staart en schokt met de vleugels; vliegt laag en golvend naar een volgende zitplaats.

Verwarrings­soorten

De Kaapse miertapuit (Myrmecocichla formicivora), zuidelijker en in droger terrein, is roetbruin met helderwitte handpenvensters in beide seksen. Arnots miertapuit (Myrmecocichla arnotti) van miombo en mopane heeft wit in de vleugel en een witte kruin bij het mannetje of een witte keel bij het vrouwtje, en zit in bomen. De Congomiertapuit (Myrmecocichla tholloni) is bruin met een witte stuit. De Kaapse drongovliegenvanger (Melaenornis pammelaina) is slanker, zonder wit, en zit in bomen.

Leefgebied

Open, kort grasland, dambo's en randen van vloedvlakten, pas afgebrande vlakten, weiden en akkerland met termietheuvels, vaak op de overgang naar miombo. Foerageert op de grond op mieren, termieten en andere insecten. Het nest ligt in een zelfgegraven of bestaande holte in een termietheuvel, een oever of een erosiegeul.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het noorden: grote delen van Angola, vooral het noorden, het centrale plateau en het oosten, verder wijdverspreid in Zambia (vooral in het noorden en westen) en schaars in het noorden van Malawi. Daarbuiten van Nigeria en Kameroen oostwaarts tot Zuid-Soedan, Oeganda, West-Kenia en Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem in Zambia langs wegen door dambo's en open grasland, zoals in het Kasanka- en Bangweulugebied en op de vlakten van Liuwa, en in Angola op het plateau rond Huambo en Malanje. Na een grasbrand komen de vogels in aantal op de zwarte vlakten foerageren. Het mannetje valt het meest op als het opvliegt en de witte schoudervlek laat zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is plaatselijk algemeen en profiteert van open, begraasd en regelmatig afgebrand grasland. Het omzetten van dambo's in intensieve akkerbouw kan plaatselijk leefgebied kosten.

Wetenschappelijke naam

Myrmecocichla nigra | (Vieillot, 1818)

Vieillot beschreef de soort in 1818 als Oenanthe nigra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myrmecocichla werd in 1851 ingevoerd door Cabanis. Myrmecocichla komt van het Griekse myrmex, 'mier', en kichle, 'lijster' — een 'mierenlijster', naar het foerageren op mieren en termieten. nigra is Latijn voor 'zwart' — naar het vrijwel geheel zwarte verenkleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Malembo, Cabinda (Angola).