Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Kaapse miertapuit
Kaapse miertapuit | Myrmecocichla formicivora
Southern Anteater-Chat | Zorzal Hormiguero Meridional
De Kaapse miertapuit is de donkere, rechtop zittende tapuit van open grasland en karoo, bijna altijd op een termietheuvel, paaltje of steen. Pas als hij opvliegt vallen de witte vlekken in de handpennen op. Hij broedt in zelfgegraven gangen in zandige oevers en in verlaten aardvarkenholen.
Geluid
Een helder, kort fluitend pie-pie-pie en een rauw tsjerr als alarm. Het gezang is een haastig mengsel van fluittonen, kwetterende noten en nabootsingen, vaak in een korte zangvlucht boven het territorium. Bij het opvliegen klinkt het droge geratel van de vleugels.
Opname: Tony Archer — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen tapuit van 17 tot 18 cm. Het mannetje is roetzwart met een witte schoudervlek en opvallend witte handpenbases die in vlucht als twee vensters oplichten. Het vrouwtje is doffer bruinzwart, met dezelfde witte vleugelvensters maar zonder schoudervlek. Snavel en poten zijn zwart. De vlucht is laag en golvend; bij het opvliegen maken de vleugels een ratelend geluid. Zittend wipt hij met de staart en schokt met de vleugels.
Verwarringssoorten
De zwarte miertapuit (Myrmecocichla nigra) van Angola, Zambia en Malawi mist de witte handpenvensters; het glanzend zwarte mannetje heeft alleen een witte schoudervlek en het vrouwtje is effen bruin. Arnots miertapuit heeft een witte kruin. De Kaapse drongovliegenvanger (Melaenornis pammelaina) is slanker, glanzend zwart en heeft nooit wit in de vleugel; hij jaagt bovendien vanaf een tak naar insecten in de lucht.
Leefgebied
Open grasland, karoostruikvlakten, kort begraasde weiden en akkerranden met termietheuvels, zandige greppelwanden en erosiegeulen. Foerageert op de grond op mieren, termieten en kevers. Nestelt in een zelfgegraven tunnel van een halve tot ruim een meter diep in een steile zandwand of in een aardvarkenhol.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Endemisch voor zuidelijk Afrika. Het zwaartepunt ligt in het binnenland van Zuid-Afrika: het Hoëveld, de Vrijstaat, de Noord-Kaap en de Karoo, verder Lesotho, Eswatini, oostelijk en centraal Botswana, centraal Namibië en het uiterste zuidwesten van Zimbabwe. De soort komt buiten deze regio niet voor.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Rijd langzaam langs graslandwegen en let op donkere vogels op afrasteringspalen en termietheuvels. De witte vleugelvensters zie je alleen als de vogel opvliegt, dus wacht tot hij van paal naar paal gaat. In de broedtijd van september tot december zijn de nesttunnels in wegtaluds en erosiegeulen goed te vinden aan de vogels die er in- en uitvliegen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is talrijk en de aantallen zijn stabiel; begrazing en het openhouden van het landschap werken in haar voordeel. Lokaal verdwijnt ze waar grasland wordt omgezet in intensieve akkerbouw of dichte aanplant, en waar oeverwanden en erosiegeulen worden geëgaliseerd verdwijnen de nestplaatsen.
Wetenschappelijke naam
Myrmecocichla formicivora | (Wilkes, 1817)
Wilkes beschreef de soort in 1817 als Motacilla formicivora; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myrmecocichla werd in 1851 ingevoerd door Cabanis. Myrmecocichla komt van het Griekse myrmex, 'mier', en kichle, 'lijster' — een 'mierenlijster', naar het foerageren op mieren en termieten. formicivora komt van het Latijnse formica, 'mier', en vorare, 'verslinden' — 'mierenetend', naar het hoofdvoedsel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Sundaysrivier, Oost-Kaap.

