Alle soorten › Evenhoevigen › Holhoornigen › Alpensteenbok
Alpensteenbok | Capra ibex
Alpine Ibex | Íbice De Los Alpes
De alpensteenbok (Capra ibex) is een wilde geit van de Alpen die boven de boomgrens op steile rotshellingen leeft. In de negentiende eeuw was de soort teruggebracht tot minder dan honderd dieren in het gebied van het huidige Nationaal Park Gran Paradiso in Italië. Alle huidige populaties stammen van die dieren af; na herintroducties vanaf 1902 leefden er in 2015 ruim 55.000 alpensteenbokken in zes landen.
Sporen
Het slot is tweedelig, met stompe, afgeronde hoefhelften: een harde rand rond een zachtere zool, die op rots grip geeft. Sporen en wissels zijn het duidelijkst in sneeuw, waar ze langs en over rotsbanden lopen. Onder overhangende rotsen en op richels liggen rustplaatsen met hopen keutels; de keutels zijn donker, rond tot ovaal en lijken op die van gems en huisgeit. Op zoutrijke plekken likken de dieren mineralen van het gesteente. In Piemonte klimmen geiten en jongen daarvoor tegen de wand van de Cingino-stuwdam, die een helling van 57 graden heeft; volwassen bokken doen dat niet.
Herkenning
Een gedrongen, zware wilde geit van 121 tot 171 cm kop-romplengte, 73 tot 101 cm schouderhoogte en 40 tot 120 kg, met een groot verschil tussen de seksen: een volwassen bok is ongeveer twee keer zo zwaar als een geit. De bok draagt lange, in één vlak in een boog naar achteren gebogen hoorns van 69 tot 98 cm, aan de voorzijde bezet met grove dwarse knobbels; de hoorns van de geit zijn kort, dun en vrijwel glad, 18 tot 35 cm. De bok heeft een korte kinbaard van 6 tot 7 cm. Geiten en jonge dieren zijn licht okerkleurig tot lichtbruin; bokken zijn in de zomer geelbruin met donkere poten en worden tegen het eind van de winter donker kastanjebruin. De staart is kort, 15 tot 30 cm volgens de ruimste opgave, en donker.
Gelijkende soorten
Op het Iberisch Schiereiland leeft de Spaanse steenbok (Capra pyrenaica); de twee soorten overlappen nergens. De hoorns van de Spaanse steenbok buigen naar buiten en draaien aan de punt naar boven en naar binnen, terwijl die van de alpensteenbok in één vlak naar achteren gebogen zijn en aan de voorzijde grove knobbels dragen. De gems deelt het leefgebied, maar is slanker, heeft een licht gezicht met een zwarte streep van snuit tot oor en korte, aan de punt haakvormig naar achteren omgebogen hoorns. Loslopende huisgeiten hebben meestal een bontere vacht en andere hoornvormen; kruisingen tussen huisgeit en alpensteenbok komen voor en zijn niet altijd met zekerheid te herkennen.
Leefgebied
Alpiene graslanden, puinhellingen en rotswanden tussen ongeveer 1600 en 3300 m, met een voorkeur voor hellingen van 30 tot 45 graden. In de zomer staan de dieren hoog, tot boven de 3000 m; in de winter verblijven ze op steile zuidhellingen waar de sneeuw wegglijdt of wegwaait, en soms in de bovenste zone van het bergbos. Steil, rotsig terrein dicht bij de voedselplek is overal een voorwaarde: daarheen vluchten de dieren bij gevaar.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Alleen de Alpen, van de Franse Zee-Alpen tot Oostenrijk en Slovenië. In de negentiende eeuw leefde de soort alleen nog in het gebied van de Gran Paradiso, met minder dan honderd dieren. Vanuit die populatie is de alpensteenbok vanaf 1902 in het hele Alpengebied teruggezet, na 1948 ook vanuit de nieuw gevormde kolonies. De verdeling rond 2015 was ongeveer: Zwitserland ruim 17.800 dieren, Italië ruim 16.400, Frankrijk en Oostenrijk elk rond 9000, Duitsland ongeveer 500 en Slovenië ongeveer 280. De populaties bestaan uit gescheiden kolonies in afzonderlijke berggroepen. Buiten de Alpen komt de soort in het gidsgebied niet voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De alpensteenbok is overdag actief, vooral in de ochtend en de late middag. In de winter zoekt hij 's ochtends de zon op en verlaagt hij hartslag en stofwisseling. Hij eet het hele jaar vooral grassen, in de zomer aangevuld met kruiden en in herfst en winter met dwergstruiken en scheuten van naaldbomen. Buiten de bronst leven de seksen gescheiden: geiten met jongen in groepen van vijf tot twintig dieren, bokken in eigen groepen met een rangorde naar leeftijd, lichaamsgrootte en hoornlengte. De bronst valt in december en januari; de dracht duurt 165 tot 170 dagen, en eind mei of in juni wordt één jong geboren, zelden twee. In de Gran Paradiso zijn lawines, voedseltekort in de winter en ouderdom de voornaamste doodsoorzaken; steenarenden slaan jonge dieren. Bokken worden ongeveer 16 jaar oud, geiten tot 20 jaar.
Waar en wanneer kijken
Zoek in de zomer boven de boomgrens, vroeg in de ochtend, op de graslanden onder rotswanden; een telescoop helpt. In beschermde gebieden als de Gran Paradiso, de Vanoise en de Hohe Tauern zijn de dieren weinig schuw en vaak op korte afstand te zien. In april en mei komen ze lager om het eerste gras op zuidhellingen te eten en zijn ze gemakkelijker te bereiken. Blijf op de paden en houd afstand van geiten met jongen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2020). Het herstel van de soort berust volledig op herintroductie. Omdat alle dieren van minder dan honderd stichters afstammen, is de genetische variatie klein, en inteelt vergroot plaatselijk de gevoeligheid voor ziekten. Van belang zijn brucellose, rotkreupel en de besmettelijke oogontsteking keratoconjunctivitis, die ook bij de gems voorkomt, en daarnaast maag-darm- en longwormen. Kruising met huisgeiten vormt een risico voor de genetische zuiverheid van de kolonies.
Wetenschappelijke naam
Capra ibex | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Capra is het Latijnse woord voor 'geit'. ibex is het Latijnse woord voor de wilde geit van de Alpen; de Romeinen hebben het vermoedelijk aan een voor-Latijnse Alpentaal ontleend. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zwitserland.




