Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Cnephaeus isabellinus

Cnephaeus isabellinus | Cnephaeus isabellinus

Meridional Serotine | Cnephaeus isabellinus

Cnephaeus isabellinus is de laatvliegerachtige vleermuis van het zuiden van het Iberisch Schiereiland en Noord-Afrika. Temminck beschreef haar in 1840 als Vespertilio isabellinus uit de omgeving van Tripoli; lange tijd gold zij als ondersoort van de laatvlieger (Eptesicus serotinus), tot genetisch onderzoek van Iberische en Noord-Afrikaanse dieren (onder meer Juste en collega's, 2013) haar als aparte soort onderscheidde. Sinds 2023 staat zij, met de andere Oude-Wereldsoorten van Eptesicus, in het geslacht Cnephaeus. In de literatuur verschijnt zij daarom onder drie namen: E. serotinus (vóór de afsplitsing), E. isabellinus en C. isabellinus. Onderarm 44 tot 54 mm, gewicht 15 tot 27 gram.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

De soort verblijft in rotsspleten, holle bomen, bruggen en gebouwen, zelden in grotten, mijnen of andere ondergrondse ruimten. Anders dan bij de laatvlieger zijn zomer- en winterverblijf vaak dezelfde plek, en sommige verblijven worden het hele jaar gebruikt. Onder de invliegopening van een kraamkolonie ligt mest met resten van kevers. In de paartijd, van augustus tot oktober, roepen mannetjes vanuit hun verblijf met sociale roepen. Op de batdetector klinkt de soort als een onregelmatige reeks roepen rond 25 tot 30 kHz.

Herkenning

Een grote vleermuis van het laatvliegertype, met brede vleugels en een trage, wendbare vlucht. De rugvacht varieert van licht geelbruin met een crèmekleurige glans tot bijna goudkleurig; de buik is lichter, zonder scherpe grens met de rug. Snuit, wangen, oren en vlieghuiden zijn donkerbruin. De oren zijn driehoekig en breed afgerond, met vijf dwarsplooien; de tragus is ongeveer een derde van de oorlengte, met stompe punt. De staart steekt 2 tot 3 mm buiten de staartvlieghuid uit. Vrouwtjes zijn iets groter dan mannetjes. De zoekroepen zijn sterk variabel, frequentiegemoduleerd met een vrijwel constant eind (FM/QCF): in Marokko lag de piekfrequentie tussen 25,8 en 28,3 kHz (gemiddeld 26,9 kHz), in Tunesië tussen 21,7 en 30,3 kHz, in Spanje tussen 23,4 en 35,8 kHz.

Gelijkende soorten

Van de laatvlieger (Cnephaeus serotinus) is deze soort in het veld niet betrouwbaar te onderscheiden: de maten overlappen, de vacht is gemiddeld lichter en geliger maar varieert bij beide, en de roepen zijn volgens het handboek niet van elkaar te scheiden. In het zuiden van Spanje en Portugal en in Noord-Afrika wijst de herkomst de weg; in de overgangszone in het midden van het Iberisch Schiereiland is genetisch onderzoek nodig. Aan een dier in de hand verschillen de soorten in details van de schedel, het gebit en het penisbeen (baculum), die alleen door specialisten worden beoordeeld. De rosse vleermuis (Nyctalus noctula) en de grote rosse vleermuis (N. lasiopterus) hebben smalle, spitse vleugels en een snelle vlucht; hun roepen overlappen in frequentie met die van C. isabellinus, zodat opnamen in sommige gebieden met die van Nyctalus-soorten verward worden.

Leefgebied

Een breed spectrum van leefgebieden, van halfwoestijn tot mediterraan bos en struweel, open akkerland, dehesa en stadstuinen, van zeeniveau tot ongeveer 1800 m. De soort jaagt vaak bij water of op plaatsen met een hoge luchtvochtigheid, zoals rivieroevers met dichte begroeiing. In het noorden van het Afrikaanse deel van het areaal komt zij ook voor in dichte oasen in woestijn en halfwoestijn. De jachtgebieden liggen meestal dicht bij het verblijf.

Verspreiding

Twee ondersoorten. C. i. boscai leeft in het zuiden van Portugal en Spanje, in Noord- en Midden-Marokko, in Noordwest-Algerije en op Lanzarote (Canarische Eilanden); C. i. isabellinus in Noordoost-Algerije, Tunesië en Noordwest-Libië. De Straat van Gibraltar vormt voor de soort geen barrière: Europese en Afrikaanse populaties wisselen genen uit. Noordelijker op het Iberisch Schiereiland wordt zij vervangen door de laatvlieger. De oudere literatuur over de laatvlieger in Zuid-Spanje, Portugal en de Maghreb heeft in feite op deze soort betrekking.

Levenswijze

Het voedsel bestaat vooral uit kevers, nachtvlinders en tweevleugeligen; in een half droog stedelijk landschap in Zuid-Spanje waren bladsprietkevers (Scarabaeidae) en vliegen de hoofdmoot, met sterke wisselingen per seizoen. In Libië bevatten mestmonsters vooral mieren en kevers. De soort jaagt in de lucht, maar pakt soms prooi van de grond of de vegetatie. Buiten de voortplantingstijd leven de dieren grotendeels alleen; mannetjes vrijwel altijd. Na de winterslaap vormen vrouwtjes eind april en begin mei kraamkolonies van tientallen tot honderden dieren; eind mei en begin juni worden de jongen geboren, vaak een tweeling. De zoogperiode loopt tot half augustus, daarna vallen de kolonies uiteen. Vrouwtjes zijn sterk plaatstrouw; alle bekende verplaatsingen bedragen minder dan 40 km en worden vooral door mannetjes gemaakt. De winterslaap loopt in sommige gebieden van eind oktober tot maart; in Tunesië lijkt de soort het hele jaar actief te zijn.

Waar en wanneer kijken

In Andalusië en de Algarve is dit de laatvliegerachtige vleermuis die je op zomeravonden rond straatlantaarns in dorpen, boven rivieren en langs bosranden ziet. Een kraamkolonie in een gebouw of onder een brug is bij het uitvliegen, kort na zonsondergang, te tellen. Een waarneming met detector of zicht is als Cnephaeus spec. te noteren; de toewijzing aan deze soort berust op de herkomst, en in het midden van Spanje en Portugal alleen op DNA.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is plaatselijk algemeen, bijvoorbeeld in Zuid-Spanje, Marokko en Noord-Algerije. In landbouwgebieden bestaat het vermoeden dat de dieren via hun voedsel verontreinigende stoffen opnemen. In Europa staat de soort, als deel van de laatvlieger in de oude opvatting, in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt zij onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Cnephaeus isabellinus | (Temminck, 1840)

Temminck beschreef de soort in 1840 als Vespertilio isabellinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Cnephaeus is Grieks, van knephaios 'duister, van de schemering', bij knephas 'schemer'; Kaup gaf de naam in 1829, en hij is pas onlangs weer in gebruik genomen. isabellinus betekent 'isabelkleurig', een vaal geelgrijs, naar de bleke woestijnvacht. Waar die kleurnaam vandaan komt is omstreden; het verhaal over een hemd van een Spaanse infante dat drie jaar ongewassen bleef, is jonger dan het woord zelf. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Libië.