Alle soorten › Roofdieren › Zeehonden › Gewone zeehond

Gewone zeehond | Phoca vitulina

Harbour seal | Foca común

De gewone zeehond leeft in ondiepe, beschutte kustzeeën van het noordelijk halfrond; in Europa van de Waddenzee en de Britse en Ierse kusten tot Noorwegen, de Barentszzee en IJsland. Bij laagwater rust hij op droogvallende platen en rotsen, met kop en achtervinnen opgeheven, en met het opkomende tij gaat hij het water in. In de Waddenzee is de soort door jacht sterk afgenomen, daarna hersteld, en in 1988 en 2002 door een virusepidemie gedecimeerd; beide keren herstelde de populatie.

Gewone zeehond (Phoca vitulina)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het sleepspoor lijkt op dat van de grijze zeehond, maar is smaller: een gladde sleuf van 25 tot 40 cm breed van het water naar het droge, met aan weerszijden de schuine krabsporen van de voorvinnen en soms een lichte slingering waar het dier zich afzette. Op een zachte, natte plaat is de sleuf scherp afgetekend en verdwijnt hij bij het volgende hoogwater; een gevonden spoor is dus van hetzelfde getij. De sleuf loopt vrijwel altijd loodrecht op de waterlijn. Aan het eind ligt de ligplaats, een ondiepe, uitgesleten kom op het hoogste deel van de plaat, en daaromheen in de zomer haren van de rui: plukken korte grijze haren in het vloedmerk, die in juli en augustus soms hele stroken strand bedekken. Verse keutels zijn een vormeloze, olieachtige massa die snel wegspoelt; wat overblijft zijn de otolieten, de kalkachtige gehoorsteentjes van de prooivissen, glanzende witte korrels in het zand waarmee onderzoekers het voedsel van een kolonie bepalen. Geluid: een verstoorde gewone zeehond maakt een kort, hoestend blaffen; een jong zonder moeder roept met een dun, aanhoudend jengelen dat ver over de plaat hoorbaar is.

Gewone zeehond, twee sleepsporen over een droogvallende zandplaat, elk met de rij vinafdrukken aan weerszijden van de gladde middensleuf
Twee sleepsporen over een droogvallende zandplaat, elk met de rij vinafdrukken aan weerszijden van de gladde middensleuf · Foto: Hugh Venables — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Gewone zeehond, op een wierbegroeide rots voor lismore, argyll, met het schotse binnenland erachter
Op een wierbegroeide rots voor Lismore, Argyll, met het Schotse binnenland erachter · Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Gewone zeehond, kop van dichtbij op het strand van norderney: de korte, ingedeukte snuit met de knik voor de ogen en de grote, dicht bijeen staande ogen
Kop van dichtbij op het strand van Norderney: de korte, ingedeukte snuit met de knik voor de ogen en de grote, dicht bijeen staande ogen · Foto: Jürgen Hamann — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Het jong

Gewone zeehond, zogend jong bij dunvegan, skye; het jong heeft de witte lanugovacht al voor de geboorte afgelegd en kan meteen zwemmen
Zogend jong bij Dunvegan, Skye; het jong heeft de witte lanugovacht al voor de geboorte afgelegd en kan meteen zwemmen · Foto: Nevit Dilmen (talk) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Kleiner en ronder dan de grijze zeehond, met een korte, ingedeukte snuit en een duidelijke knik voor de ogen; het profiel van de kop is niet kegelvormig. De neusgaten vormen een V: ze raken elkaar onderaan bijna en wijken naar boven uiteen. De vacht is grijs, zandkleurig of donkerbruin, altijd met fijne, ronde, scherp begrensde stippen en ringetjes, dichter op de rug dan op de buik; een nat dier oogt egaal donker, bij een droog dier is het patroon zichtbaar. De ogen zijn groot, staan dicht bij elkaar en zijn naar voren gericht. Mannetje en vrouwtje verschillen nauwelijks in grootte. Kenmerkend is de houding op het droge: kop opgeheven en achtervinnen opgetrokken, zodat het lichaam gebogen is en alleen de buik de ondergrond raakt.

Gelijkende soorten

De grijze zeehond is de belangrijkste verwarringssoort; op gemengde ligplaatsen liggen beide soorten door elkaar. Het betrouwbaarste kenmerk is de kop: de gewone zeehond heeft een korte, ingedeukte snuit en V-vormige neusgaten, de grijze zeehond een lange, rechte, kegelvormige snuit zonder knik en evenwijdige neusgaten met een gleuf ertussen. Verder is de grijze zeehond groter en zwaarder, heeft hij onregelmatige vlekken in plaats van stippen en ligt hij plat in plaats van gebogen. Een volwassen grijze stier is op afstand aan de zware nek te herkennen; een jonge grijze zeehond en een volwassen gewone zeehond zijn alleen aan de kop te onderscheiden. In de Oostzee komt de ringelrob voor: kleiner, met een kortere snuit en een donkere rug met lichte ringen in plaats van stippen. Zeldzame gasten uit het noorden, zadelrob en klapmuts, worden bijna altijd als jonge dieren op het strand gevonden en zijn aan de tekening te herkennen: de zadelrob zilvergrijs met scherpe zwarte vlekken, de klapmuts blauwgrijs op de rug met een scherpe overgang naar de roomkleurige buik.

Leefgebied

Ondiepe, beschutte kustzeeën met droogvallende zandplaten, wadden, estuaria en zeearmen, in het noorden en westen ook rotskusten, keienstranden, fjorden en zeelochs. De soort blijft dicht bij de kust en jaagt op platvis, haring, wijting, grondels en garnalen, meestal binnen vijftig kilometer van de ligplaats en op dieptes tot enkele tientallen meters. Hij zwemt geregeld riviermondingen en zeegaten binnen en wordt in de Eems, de Elbe, de Theems en de Schotse zeelochs tientallen kilometers landinwaarts gezien. De ligplaats valt bij laagwater droog en grenst aan diep water, waarin het dier bij verstoring direct kan wegglijden.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Rondom het noordelijk halfrond, in de Atlantische en de Grote Oceaan; de Europese ondersoort vitulina van Portugal tot de Barentszzee en rond IJsland. Binnen het gidsgebied het talrijkst in de Waddenzee, langs de Britse en Ierse kusten en in Noorwegen en IJsland. Groot-Brittannië herbergt een groot deel van de Europese populatie, geconcentreerd in West- en Noord-Schotland (Hebriden, Orkney, Shetland), met belangrijke groepen in de Wash, Strangford Lough en het Theems-estuarium; de populaties aan de Schotse oostkust zijn sinds 2000 sterk afgenomen, om redenen waarover nog discussie is. In de Waddenzee verdrievoudigden de aantallen tussen 1990 en 2013; daarna stagneerde de groei, en sinds 2022 wordt een lichte daling gemeten. In het Nederlandse Deltagebied leeft een vaste populatie in de Oosterschelde, de Westerschelde en het Grevelingenmeer; langs de Belgische kust verschijnen jaarlijks dieren, die ook het Zwin en de Schelde binnenzwemmen. In de Oostzee alleen in het zuidwesten, met kleine, geïsoleerde groepen in het Kattegat en bij Kalmar. De zuidgrens van het voortplantingsgebied ligt in Bretagne. Op het Iberisch Schiereiland plant de soort zich niet voort; er zijn schaarse maar regelmatige waarnemingen van zwervers aan de Cantabrische kust, in Galicië en aan de Portugese kust, meestal jonge dieren van dat jaar, en enkele dieren zijn de Guadalquivir en andere rivieren opgezwommen.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Overdag op de plaat, in het ritme van het getij: bij afgaand water komt het dier droog te liggen, met opkomend water gaat het weer weg; de meeste dieren liggen er in de twee uur voor en na laagwater. Duikt drie tot vijf minuten, uitzonderlijk een half uur, en jaagt op zicht en met de snorharen, die de waterwervelingen achter een zwemmende vis kunnen volgen. De jongen worden van juni tot juli geboren, in de Waddenzee tussen half juni en eind juli, één per vrouwtje, op een droogvallende plaat of een rotsrichel. Anders dan bij de grijze zeehond is het jong bij de geboorte al verhaard: de witte lanugovacht wordt in de baarmoeder afgelegd. Het jong kan binnen enkele uren zwemmen en met de moeder het water in gaan. Het wordt vier weken gezoogd en verdubbelt in die tijd zijn gewicht. De paring vindt plaats in het water, kort na het spenen; de mannetjes maken daarbij onder water een klagend, kloppend geluid. In augustus verharen de volwassen dieren en liggen ze veel en lang aan land. Leeftijd tot vijfentwintig à dertig jaar.

Waar en wanneer kijken

Kijk in de twee uur rond laagwater, vanaf een dijk, een veerboot of tijdens een wad- of boottocht. Bekende plaatsen zijn in de Waddenzee de Boschplaat op Terschelling, de Engelsmanplaat en de Richel bij Vlieland; in het Deltagebied de platen bij de Brouwersdam en in de Oosterschelde; in Groot-Brittannië de Wash en Blakeney Point in Norfolk, Donna Nook, de Farne-eilanden, de Moray Firth en de scheren van de Hebriden en Orkney; in het Theems-estuarium leven enkele duizenden dieren. Met een telescoop is aan de kop van elk dier de soort vast te stellen. Blijf op minstens driehonderd meter afstand: een zeehond die de kop opheft en naar je kijkt, is al verstoord, en dieren die de plaat verlaten, verliezen de rust die ze voor spijsvertering en rui nodig hebben. In juli zijn er jongen; laat een alleen liggend jong met rust, want de moeder is vrijwel altijd in de buurt in het water. Een jong dier op een badstrand is niet automatisch in nood.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). De populatie in de Waddenzee telt enkele tienduizenden dieren. In 1988 en opnieuw in 2002 doodde het zeehondenziektevirus (phocine distemper) meer dan de helft van alle dieren in de Noordzee; beide keren was de populatie binnen tien jaar hersteld. Recent groeien de aantallen in de Waddenzee niet meer en groeien de jongen langzamer; mogelijke verklaringen zijn voedselconcurrentie en verstoring. Verdere bedreigingen zijn bijvangst in staande netten, verstoring door recreatievaart en drones, de onverklaarde afname aan de Schotse oostkust en een langzaam afnemende, nog steeds meetbare belasting met pcb's.

Wetenschappelijke naam

Phoca vitulina | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Phoca is het Latijnse phoca 'zeehond', ontleend aan het Griekse phōkē. vitulina is Latijn voor 'van het kalf', bij vitulus 'kalf'; zeekalf was van oudsher de naam van het dier. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Oostzee, Botnische Golf.