Alle soorten › Roofdieren › Zeehonden › Ringelrob
Ringelrob | Pusa hispida
Ringed seal | Foca ocelada
De ringelrob is de kleinste zeehond van Europa en is voor de voortplanting afhankelijk van zee-ijs: hij houdt met zijn nagels een ademgat in het ijs open en het vrouwtje graaft daarboven, in de sneeuw, een hol waarin het jong wordt grootgebracht. Waar het ijs verdwijnt, verdwijnt de soort; in de Oostzee geldt hij daarom als een indicator voor de gevolgen van zachtere winters.
Sporen
De ringelrob laat vooral sporen in ijs en sneeuw achter. Op vast ijs houdt hij met de nagels van de voorvinnen een ademgat open door ijs tot anderhalve meter dik; van bovenaf is dat in het late voorjaar een ronde, dichtgevroren opening van 20 tot 30 cm met een kraag van ijskorrels en soms krassporen van de nagels. Waar sneeuw op het ijs is opgewaaid, graaft het vrouwtje boven zo'n gat een sneeuwhol: een holle kamer van 1 tot 2 meter lang, van buiten alleen zichtbaar als een onopvallende bult in een sneeuwrichel, waarin het jong de eerste weken buiten het zicht van ijsberen en poolvossen ligt. Waar het dak is ingezakt of opengebroken, is de kom met het gat in de bodem te zien, en meestal ook sporen van het roofdier dat het hol vond: prenten van poolvos of ijsbeer en een kring van bloed en wol. Op ijsschotsen en keien langs de kust ligt hij te rusten, en daar laat hij een sleepsleuf achter zoals elke zeehond, maar smal — nauwelijks 25 cm — en vaak eindigend in een uitgesleten kom vlak bij de ijsrand.
In zijn leefgebied

Herkenning
Klein, plomp en kortnekkig, met een kleine kop en een zeer kort, steil snuitje, korter en steiler dan bij de gewone zeehond. De rug is donkergrijs tot bijna zwart en draagt het kenmerk waaraan de soort haar naam dankt: lichte, min of meer ronde ringen met een donkere kern, verspreid over rug en flanken, die op de zilvergrijze buik overgaan in losse vlekken of ontbreken. Bij oude dieren kunnen de ringen samenvloeien tot een marmering. De voorvinnen zijn kort en dragen zware, gebogen nagels van meer dan 2 cm, waarmee hij het ademgat openhoudt. De snorharen zijn licht en golvend. Een pasgeboren jong is geheel wit en wollig.
Gelijkende soorten
In de Oostzee komt hij samen voor met de gewone zeehond en de grijze zeehond, en is van beide te scheiden op grootte en tekening: de ringelrob is duidelijk kleiner, met een korter, steiler snuitje, en heeft lichte ringen op een donkere ondergrond, terwijl de gewone zeehond donkere stippen op een lichte ondergrond heeft. In het water is het grootteverschil onbetrouwbaar; let dan op de kop, die bij de ringelrob rond en klein is, met een zeer korte snuit. De Saimaarob, die in Finland in één meer leeft, is in het veld niet van de ringelrob te onderscheiden en wordt alleen door de vindplaats bepaald: in het Saimaameer is elke zeehond een Saimaarob, in zee nooit. In het hoge noorden komen daarnaast de baardrob voor — twee tot drie keer zo zwaar, met een kleine kop op een zeer groot lichaam en een dichte bos witte snorharen — en de zadelrob, met scherp begrensde zwarte vlekken en een zwarte kop.
Leefgebied
Zee-ijs en de omgeving daarvan: vast ijs langs de kust, drijfijs, ijsranden en wakken, en in de zomer open water boven het ondiepe continentaal plat, met rustplaatsen op ijsschotsen, rotsen en keienstranden. In de Oostzee overwintert hij op het vaste ijs van de Botnische Golf, de Finse Golf en de Golf van Riga. Hij eet vooral kleine scholvissen en kreeftachtigen — haring, spiering, poolkabeljauw en aasgarnalen — die hij in de bovenste tientallen meters vangt.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Circumpolair in de hele Noordelijke IJszee, van Spitsbergen en de Barentszzee tot Alaska en Canada, met geïsoleerde populaties in de Oostzee (botnica) en in het Ladogameer (ladogensis). Binnen het gidsgebied is hij het talrijkst in de noordelijke Oostzee: de Botnische Golf herbergt de grootste populatie, met daarnaast enkele honderden dieren in de Finse Golf en de Golf van Riga. Verder komt hij voor in Noord-Noorwegen en op Spitsbergen, waar hij de gewoonste zeehond is en de belangrijkste prooi van de ijsbeer. Ten zuiden daarvan is hij een dwaalgast: op de Britse eilanden zijn enkele waarnemingen bekend, de meeste van Shetland en de Noordelijke Eilanden; van het Iberisch Schiereiland zijn geen waarnemingen bekend.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Solitair en weinig sociaal, behalve tijdens de verharing; op het ijs liggen de dieren ver uit elkaar, elk bij het eigen gat. Hij duikt tot enkele tientallen meters diep en blijft meestal vijf tot tien minuten onder water. Het vrouwtje werpt in maart of april één jong in het sneeuwhol; het jong heeft bij de geboorte een witte, wollige lanugovacht, weegt vier tot vijf kilo en wordt vijf tot zeven weken gezoogd, langer dan bij de andere noordelijke zeehonden, mogelijk omdat het hol de moeder in staat stelt tussentijds te jagen. De paring vindt kort na het spenen in het water plaats; in juni en juli verharen de dieren en liggen ze lang op het ijs. Hij wordt 25 tot 30 jaar oud, uitzonderlijk ouder.
Waar en wanneer kijken
In maart en april op het vaste ijs van de Botnische Golf, vanaf een toeristische ijsbrekertocht of vanaf de kust bij Oulu, Kemi of Luleå: de dieren liggen dan bij hun gaten en zijn met een telescoop op kilometers afstand te zien. Zoek niet zelf naar sneeuwholen; verstoring van een hol kan de dood van het jong betekenen. In de zomer is de kans het grootst langs de scherenkust en op Spitsbergen bij de gletsjerfronten in de Kongsfjord, waar ringelrobben in het opwellende smeltwater op garnalen jagen.
Staat van instandhouding
Als soort niet bedreigd (LC, 2016); wereldwijd leven er miljoenen dieren in de Noordelijke IJszee, maar dat zegt weinig over de Europese populaties. De Oostzee-ondersoort nam af van naar schatting 200.000 dieren rond 1900 tot enkele duizenden in de jaren zeventig, eerst door de jacht en daarna door PCB's, die bij vrouwtjes baarmoederafsluitingen veroorzaakten. Sinds het verbod op die stoffen groeit de populatie in de Botnische Golf weer, maar in de Finse Golf en de Golf van Riga blijft ze klein. De bepalende factor is nu het ijs: in een winter zonder vast ijs kan het vrouwtje geen sneeuwhol maken, wordt het jong op open ijs geboren en overleeft het zelden. HELCOM beschouwt de Oostzeepopulatie daarom als kwetsbaar, en de klimaatontwikkeling in de Botnische Golf is de grootste onzekerheid voor haar toekomst.
Wetenschappelijke naam
Pusa hispida | (von Schreber, 1775)
Von Schreber beschreef de soort in 1775 als Phoca hispida; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Pusa gaf Scopoli in 1771 zonder een woord toelichting; het woord laat zich nergens thuisbrengen en de herkomst is onbekend. hispida is Latijn voor 'ruig, borstelig', naar de stugge haren van de vacht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Groenland en Labrador.





