Alle soorten › Roofdieren › Zeehonden › Saimaazeehond
Saimaazeehond | Pusa saimensis
Saimaa ringed seal | Foca de Saimaa
De Saimaazeehond is een zoetwaterrob die uitsluitend in het Saimaameer in Zuidoost-Finland leeft. Toen aan het einde van de laatste ijstijd het land omhoogkwam en het meer van de Oostzee werd afgesneden, bleef een groep robben in zoet water achter; de huidige populatie stamt daarvan af. Ze telt enkele honderden dieren.
Sporen
In de winter maakt het vrouwtje, net als bij de ringelrob, een sneeuwhol. In februari graaft ze in een sneeuwhoop tegen een rotsoever of een eilandkust een holle kamer boven een gat in het meerijs en werpt daar haar jong. Van buiten is het hol een lage bult; een ingezakt hol is een kom met een open wak in de bodem. In zachte winters zonder blijvende sneeuw ontbreekt het hol en ligt het jong onbeschermd op het ijs. Daarom werpen vrijwilligers van WWF Finland en de Universiteit van Oost-Finland sinds enkele jaren met sneeuwschuivers kunstmatige sneeuwbanken op langs de oevers, waarin de vrouwtjes dan hun holen maken. In de zomer ligt de soort op de gladde granietkeien van de eilandjes en laat daar natte sleepsporen en een kaal geschuurde plek achter. Vissers vinden beschadigde netten en verdronken dieren.
Herkenning
Een kleine, gedrongen zeehond met een klein, rond hoofd en een zeer korte snuit, gemiddeld 130 tot 145 cm lang en 50 tot 90 kg zwaar. De vacht is donkergrijs, bruinig of bijna zwart, met op rug en flanken lichte ringen en kringen die vaak dichter opeen staan en meer versmelten dan bij de Arctische ringelrob, zodat de tekening eerder een lichte marmering vormt dan een reeks losse ringen. Het patroon is individueel verschillend en blijft levenslang gelijk; Finse onderzoekers herkennen er individuen aan. De voorvinnen dragen zware nagels. Het jong is bij de geboorte geheel wit.
Gelijkende soorten
In het Saimaameer komt geen andere zeehond voor; elke zeehond in het meer is een Saimaazeehond. Buiten het meer komt de soort niet voor. Van de ringelrob van de Oostzee is hij in het veld niet te onderscheiden. De Mammal Diversity Database geeft hem sinds 2025 de rang van soort op grond van genetisch onderzoek, waaruit bleek dat zijn naaste verwanten niet de Oostzee- en Ladogarobben zijn maar de ringelrobben van het Noord-Amerikaanse Noordpoolgebied. De Ladogazeehond in het aangrenzende Russische Ladogameer is de derde zoetwaterrob van de regio en telt enkele duizenden dieren; ook die is uiterlijk niet te onderscheiden.
Leefgebied
Het Saimaastelsel in Zuidoost-Finland: ongeveer vierduizend vierkante kilometer water met duizenden eilanden, smalle doorgangen en diepe kommen. De soort geeft de voorkeur aan steile, rotsige oevers en kleine kale eilandjes met weinig verstoring, en aan delen van het meer waar het ijs in de winter lang blijft liggen. Het voedsel bestaat vooral uit kleine vis: kleine baars, blankvoorn, spiering en pos.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Uitsluitend het Saimaameer in Zuidoost-Finland. Binnen het meer is de soort ongelijk verdeeld: de kern ligt in Pihlajavesi, Haukivesi en Puruvesi, met kleinere groepen in Kolovesi en de zuidelijke bekkens. Er is geen geval bekend van een dier dat het meer heeft verlaten en via het Saimaakanaal de Finse Golf heeft bereikt.
Levenswijze
Overwegend solitair en dagactief, en het best te zien wanneer de dieren in voorjaar en zomer op de rotsen liggen. De duiken zijn kort en ondiep (het meer is nergens veel dieper dan tachtig meter); er wordt de hele dag gejaagd. Het vrouwtje werpt eind februari of begin maart één jong in het sneeuwhol; het jong wordt geboren in een witte wollige vacht en wordt acht tot tien weken gezoogd. Vrouwtjes krijgen gemiddeld om het jaar een jong, wat het herstel van de populatie vertraagt. In 2025 werden 114 jongen geboren. De levensduur is twintig tot vijfentwintig jaar.
Waar en wanneer kijken
De beste periode is mei tot juli, met een kajak of kleine boot langs de rotsoevers van Linnansaari of Kolovesi, of vanaf een uitkijkpunt aan de wal: op zonnige ochtenden liggen de dieren op de keien en zijn ze met een telescoop op honderden meters te vinden. Benader nooit een liggend dier; het gaat direct te water en verliest de warmte die het voor de verharing nodig heeft. In de winter zijn de voortplantingsgebieden gesloten en is het verboden het ijs bij de bekende werpplaatsen te betreden.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN, 2016); de IUCN beoordeelt de vorm nog als ondersoort van de ringelrob, Pusa hispida saimensis. De populatie daalde in de jaren tachtig tot ongeveer honderdvijftien dieren en is sindsdien langzaam gegroeid: de schatting voor januari 2025 is 530 dieren, met 114 geboren jongen. De belangrijkste bedreigingen zijn staande netten, waarin vooral jonge dieren verdrinken (sinds 2016 geldt daarom van april tot eind juni een netverbod op grote delen van het meer, aangevuld met vrijwillige overeenkomsten met duizenden oevereigenaren), en sneeuwgebrek: in zachte winters zonder sneeuwbanken kan het vrouwtje geen hol maken en sterft een groot deel van de jongen. Daarnaast spelen de kleine populatieomvang, de geringe genetische variatie en oeverbebouwing die de rust bij de werpplaatsen vermindert.
Wetenschappelijke naam
Pusa saimensis | (Nordqvist, 1899)
Nordqvist beschreef de soort in 1899 als Phoca foetida var. saimensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Pusa gaf Scopoli in 1771 zonder een woord toelichting; het woord laat zich nergens thuisbrengen en de herkomst is onbekend. saimensis betekent 'van de Saimaa', het Finse merenstelsel waarin de soort is opgesloten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Finland, Saimaameer.


