Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Kaukasuseekhoorn
Kaukasuseekhoorn | Sciurus anomalus
Caucasian Squirrel | Sciurus anomalus
De kaukasuseekhoorn leeft in Anatolië, de Kaukasus en het Nabije Oosten; binnen de Europese Unie komt hij alleen op het Griekse eiland Lesbos voor. Hij is grijs op de rug en roestgeel op de buik, heeft een korte staart en geen oorpluimen. Hij is minder aan bomen gebonden dan de Euraziatische rode eekhoorn en wordt vaak op de grond en op stapelmuren gezien.
Sporen
De soort is overdag actief en wordt vaker gezien dan aan sporen herkend, maar sporen zijn er wel. Het duidelijkste spoor is de eetplaats met kegels: net als de Euraziatische rode eekhoorn houdt de kaukasuseekhoorn een kegel van Turkse den, zwarte den of ceder in de voorpoten, draait hem rond en bijt de schubben van de voet tot de spil af, zodat een kale spil met een rand van stompjes en een kuifje onaangetaste schubben aan de top overblijft. Die spillen liggen bij tientallen bijeen op een steen, een stronk of een muurtje. In de herfst liggen er ook opengebroken noten: hazelnoten, walnoten, amandelen en pistachenoten, in tweeën gebroken of met een groot, rafelig gat, nooit met het kleine ronde gaatje van een muis. In eikenbos zijn voorraden eikels te vinden, verstopt in boomholten en ondiep in de grond; van één dier zijn voorraden tot zes kilo zaad beschreven. Zoek ook naar de nestholte: anders dan de Euraziatische rode eekhoorn, die vaak een nestbol van takken bouwt, nestelt deze soort bij voorkeur in holten in oude stammen, vijf tot veertien meter hoog, bekleed met mos en bladeren; ook rotsspleten en holten onder boomwortels worden gebruikt. De soort markeert haar leefgebied met urine en keutels op vaste plekken: een stapelmuur of een dikke horizontale tak met een hoopje donkere, cilindrische keutels van een halve centimeter is een vaste passage.

In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een middelgrote eekhoorn: kop-romp ongeveer 20 cm, staart 13 tot 18 cm, gewicht 250 tot 410 gram. De rug is grijs tot grijsbruin met een gespikkelde, geelgrijze zweem door beige haarpunten; de flanken gaan over in roestgeel tot kaneelbruin, en die kleur loopt door over de hele onderzijde. Dat is het doorslaggevende kenmerk: de kaukasuseekhoorn heeft nooit een witte buik. Rond het oog ligt een bleke ring. De oren zijn klein en rond en hebben nooit oorpluimen, ook niet in de winter. De staart is korter en minder pluimig dan bij de Euraziatische rode eekhoorn en meestal warm roodbruin of roestkleurig, duidelijk anders van kleur dan de rug. De poten zijn kort, de klauwen krachtig en gemiddeld 0,65 cm lang; de soort graaft evenveel als ze klimt. Een verschil tussen zomer- en wintervacht is in het veld niet te zien.
Gelijkende soorten
Op Lesbos is de kaukasuseekhoorn de enige eekhoorn en daarmee niet te verwarren. Verwarring is alleen mogelijk aan de randen van het areaal. De Euraziatische rode eekhoorn komt in Noordwest-Turkije en de Kaukasus met hem in contact; het onderscheid is eenvoudig: die soort heeft een witte tot crèmekleurige buik met een scherpe grens langs de flank, in de winter lange oorpluimen, en een langere, vollere staart. Bij twijfel beslist de buik: geelbruin of roestkleurig is anomalus, wit is vulgaris. De Perzische grondeekhoorn en andere grondeekhoorns in Anatolië hebben een kortere staart, lopen laag over de grond, graven holen en klimmen niet in bomen. De Kaukasische en Anatolische slaapmuizen zijn veel kleiner en nachtactief. In parken van sommige Turkse en Libanese steden leven verwilderde uitheemse eekhoorns; let daar op felle kleuren en een gestreepte of tweekleurige rug.
Leefgebied
Loof- en gemengd bos van het oostelijke Middellandse Zeegebied en de Kaukasus, vooral eikenbos, bos van Turkse den en zwarte den, en droog bos met Pistacia en jeneverbes. Even belangrijk is het cultuurlandschap: de soort leeft in walnoot-, kastanje-, amandel- en olijfgaarden, in oude parken en dorpsbeplanting, en komt tot aan de randen van steden. Op Lesbos leeft ze in de open dennenbossen en olijfgaarden van het westen en midden van het eiland, tot in het rotsige, halfopen terrein bij het klooster van Ypsilou. Van zeeniveau tot ongeveer 2000 m. De soort is minder aan een gesloten kronendak gebonden dan de Euraziatische rode eekhoorn en foerageert veel op de grond, waardoor ze ook in schraal, halfopen bos kan leven waar de rode eekhoorn ontbreekt.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van West- en Zuid-Turkije oostwaarts door de Kaukasus (Georgië, Armenië, Azerbeidzjan) naar Iran en Irak, en zuidwaarts door Syrië en Libanon tot Israël, de Palestijnse gebieden en Jordanië. Binnen de Europese Unie komt de soort op één plaats voor: het eiland Lesbos, waar ze algemeen is. Daarnaast leeft ze op het Turkse eiland Gökçeada. De soort is daarmee een van de slechts twee eekhoornsoorten die een eiland in de Middellandse Zee bewonen. Op het Griekse vasteland en op de andere Egeïsche eilanden ontbreekt ze.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Dagactief, met een piek in de vroege ochtend en opnieuw in de late middag, en op hete zomerdagen een lange pauze rond het middaguur. De soort leeft solitair, in territoria die met geur worden gemarkeerd, maar op plaatsen met veel voedsel, zoals een walnotengaard in oktober, verzamelen zich tijdelijk meerdere dieren. Het voedsel bestaat uit noten, zaden, eikels, dennenzaad, knoppen en jonge scheuten, aangevuld met vruchten, paddenstoelen en af en toe insecten en eieren. In de herfst worden grote voorraden aangelegd, deels in boomholten en deels in de grond; niet teruggevonden zaden kunnen ontkiemen. Er is geen winterslaap; de dieren zijn het hele jaar actief, maar blijven bij storm en kou dagenlang in hun holte. Eén tot twee worpen per jaar, van gemiddeld drie tot vier jongen, in het voorjaar en de nazomer; de jongen zijn na ongeveer tien weken zelfstandig.
Waar en wanneer kijken
Binnen de Europese Unie is de soort alleen op Lesbos te zien. Ga naar het westen van het eiland, naar de dennenbossen en olijfgaarden rond Ypsilou, Sigri en Andissa, en kijk in de eerste twee uur na zonsopgang langs bosranden en over stapelmuren. De dieren lopen vaak over de grond en steken wegen over. Let op het lage silhouet zonder oorpluimen en op de roestkleurige staart. In Turkije, Georgië en Armenië is de soort wijdverbreid in bergbossen en oude walnotengaarden; een walnotengaard in oktober is de betrouwbaarste plaats. Kijk ook onder de bomen: afgeknaagde kegelspillen op een steen wijzen op de aanwezigheid van de soort, ook als ze die ochtend niet te zien is.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2017). De soort heeft een groot areaal, stelt weinig eisen en profiteert van boomgaarden en dorpsbeplanting, waardoor ze in delen van Anatolië en de Kaukasus algemeen is. Toch staat ze plaatselijk onder druk: ontbossing en het rooien van oude walnotengaarden in Turkije en het Nabije Oosten nemen zowel voedsel als nestholten weg, en in delen van Iran en Irak is ze door houtkap en overbegrazing verdwenen. Op Lesbos vormt ze een geïsoleerde eilandpopulatie die gevoelig is voor bosbranden; dat is het grootste risico voor de enige populatie van deze soort in de Europese Unie.
Wetenschappelijke naam
Sciurus anomalus | von Güldenstädt in von Schreber, 1785
Von Güldenstädt in von Schreber beschreef de soort in 1785 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sciurus is het Latijnse woord voor 'eekhoorn', uit het Griekse skiouros, van skia 'schaduw' en oura 'staart': het dier dat zich met zijn staart beschaduwt. anomalus is Grieks anōmalos 'afwijkend, onregelmatig', van a- 'niet' en homalos 'gelijk, effen'; Güldenstädt zag het dier als een afwijkende eekhoorn. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Georgië.






