Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Kuhls dwergvleermuis
Kuhls dwergvleermuis | Pipistrellus kuhlii
Kuhl’s pipistrelle | Murciélago de Borde Claro
Kuhls dwergvleermuis (Pipistrellus kuhlii) is een kleine vleermuis van het Middellandse Zeegebied en Zuid- en Midden-Europa, met een onderarm van 30 tot 37 mm en een gewicht van 5 tot 10 gram. Kuhl beschreef haar in 1817 als Vespertilio kuhlii uit Triëst. Bij veel dieren loopt een witte zoom langs de achterrand van de vleugel. De soort leeft veel in dorpen en steden, waar zij in spleten van gebouwen verblijft en rond straatlantaarns jaagt, en haar areaal breidt zich volgens het Handbook of the Mammals of the World naar het noorden en oosten uit.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
In dorpen en steden zitten kraamkolonies vaak in rolluikkasten, rolluiken en onder dakpannen, verder in spleten en holle ruimten van gebouwen, in vleermuiskasten, holle bomen en rotswanden; zij vallen dan op door een sterke geur en geluid, en bewoners merken ze daardoor op. Kraamkolonies tellen tientallen tot enkele honderden dieren, zelden meer dan 200, bijna allemaal volwassen vrouwtjes met jongen; zij kunnen gemengd zijn met gewone of Savi's dwergvleermuizen. In de schemering jagen de dieren alleen of in groepjes rond straatlantaarns en langs lijnvormige structuren. Van augustus tot begin november maken de mannetjes baltsvluchten en roepen zij om vrouwtjes aan te trekken, en bij de paarplaatsen zwermen de dieren.
Herkenning
Een kleine vleermuis met een zeer variabele vachtkleur, van donker- tot lichtbruin, roestbruin of geelachtig, zonder verschil tussen de geslachten. De rugvacht is vaak beige tot oker, de buik witachtig of lichtgeel; het contrast tussen rug en buik is niet scherp. De huid varieert van donkerbruin tot licht of roodachtig. Langs de vrije rand van vleugel en staartvlieghuid loopt meestal een witte streep van wisselende breedte; bij de oostelijke vormen is die breder en vager. De vleugels zijn zwartachtig of donkerbruin en breed (spanwijdte 21 tot 23 cm). De oren zijn kort en driehoekig, met vijf kleine plooien en een naar binnen gebogen, afgeronde tragus. De binnenste bovensnijtand is lang en heeft één punt; dat helpt in Europa bij het onderscheid met de ruige dwergvleermuis, die daar twee punten heeft. De vlucht is traag, grillig en wendbaar, ook tussen begroeiing; tijdens de jacht vliegt het dier ongeveer 4,7 m/s, op verplaatsing ongeveer 9,3 m/s. De zoekroepen hebben de gewone dwergvleermuisvorm, met een piek rond 34 tot 41 kHz en een duur tot 14 ms; vorm en frequentie variëren sterk met omgeving, gedrag en weer.
Gelijkende soorten
De gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) kan ook een witachtige vleugelrand hebben; zij heeft een donkerder huid en roept hoger, met de meeste energie bij 42 tot 51 kHz. Het adernetwerk in de vleugel lijkt bij beide soorten op elkaar. De ruige dwergvleermuis (P. nathusii) mist de witte rand, heeft een langere vacht, een ander adernetwerk en een tweepuntige binnenste bovensnijtand. Haar zoekroepen (piek rond 38 tot 43 kHz) zijn op de batdetector niet van die van Kuhls dwergvleermuis te scheiden; alleen de sociale roepen maken het onderscheid, en ook dat niet altijd. De sociale roepen van Kuhls dwergvleermuis bestaan uit twee snelle, frequentiegemoduleerde pulsen van ongeveer 14 tot 16 kHz. Savi's dwergvleermuis (Hypsugo savii) heeft een donkerder rug met goudkleurige punten en een scherper afgetekende lichte buik, en roept met 30 tot 35 kHz iets lager, met overlap aan de onderkant. Rüppels dwergvleermuis (Vansonia rueppellii) heeft een grijze rug en een zuiver witte buik. De Oost-Europese en Aziatische vorm lepidus wordt door het handboek als ondersoort behandeld; andere auteurs zien hem als aparte soort, met andere baltsroepen.
Leefgebied
Landbouwgebied en bebouwd gebied, daarnaast bosranden, oeverbos, woestijnen en halfwoestijnen met oasen, struweel, alpiene graslanden en weiden; van zeeniveau tot ongeveer 2000 m, meestal onder 1000 m. De soort mijdt het binnenste van grote, aaneengesloten bossen. Zij jaagt 1 tot 20 m boven de grond. Het grote aanbod van verblijfplaatsen in daken en muurspleten en van insecten rond straatlantaarns verklaart volgens het handboek de hoge dichtheden in steden en dorpen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
P. k. kuhlii leeft in Midden- en Zuid-Europa, van Noord-Frankrijk en het Iberisch Schiereiland oostwaarts tot de Balkan, met als noordgrens Zuid-Duitsland, Zuid-Tsjechië, Oostenrijk en Slowakije, en op de grote eilanden van de Middellandse Zee. P. k. lepidus leeft van Zuid-Polen, Oost-Slowakije, Roemenië, Oekraïne en West-Rusland via West-Kazachstan, de Kaukasus en Anatolië tot India; P. k. tkhwanius in de Levant, Irak, Iran en op het Arabisch Schiereiland; P. k. marginatus in Noord-Afrika van Marokko tot Egypte. De dieren op de Canarische Eilanden rekent het handboek voorlopig tot P. hesperidus, en de Madeiraanse P. maderensis ligt genetisch binnen P. kuhlii. Het areaal breidt zich naar het noorden en oosten uit, waarschijnlijk langs rivieren en andere lijnen in het landschap.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief. In steden vliegt de soort vroeg uit, kort voor zonsondergang maar later dan de gewone dwergvleermuis, met een eerste activiteitspiek in de eerste uren na zonsondergang en een tweede voor zonsopgang. Het voedsel bestaat uit kleine vliegende insecten: vooral dansmuggen en steekmuggen, daarnaast stofluizen, vliesvleugeligen, kevers, nachtvlinders, wantsen, schietmotten en netvleugeligen, die in de vlucht worden gevangen. Vrouwtjes komen vanaf half maart samen en blijven tot eind augustus bij elkaar; zij krijgen van half juni tot juli meestal tweelingen. Jonge vrouwtjes zijn in hun eerste herfst al vruchtbaar. Stedelijke kolonies bevallen eerder en brengen meer jongen groot dan kolonies op het platteland. De soort is honkvast en verplaatst zich hooguit enkele tientallen kilometers tussen kraam-, zwerm- en winterverblijf. De winterslaap is weinig onderzocht: op de Balkan zijn overwinterende dieren gevonden in rotsspleten, dilatatievoegen, kelders, bruggen en gebouwen; in het Middellandse Zeegebied wordt hij vaak onderbroken voor jacht op zachte winterdagen, en soms gebruiken de dieren het hele jaar hetzelfde verblijf. De hoogste bekende leeftijd ligt onder acht jaar.
Waar en wanneer kijken
De soort is het best waar te nemen op zomeravonden in dorpen en kleine steden in Zuid-Europa, waar de dieren kort voor en na zonsondergang, vaak nog bij enig daglicht, rond straatlantaarns en langs gevels jagen. Een batdetector op 35 tot 40 kHz maakt ze hoorbaar. Voor het onderscheid met de ruige dwergvleermuis zijn de sociale roepen nodig, die vooral van augustus tot begin november te horen zijn. Een kraamkolonie in een rolluikkast is bij het uitvliegen te tellen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). Het handboek rekent de soort tot de best aangepaste vleermuizen van Europa: zij leeft in de nabijheid van mensen, is wijdverbreid en in het grootste deel van het areaal vrij talrijk, en haar verspreiding lijkt zich naar het noorden en oosten uit te breiden. In Iran en de Kaukasus is geopperd dat zij er de gewone dwergvleermuis en Savi's dwergvleermuis verdringt. Grote bedreigingen zijn niet bekend; verstoring van verblijven en directe vervolging kunnen plaatselijke kolonies treffen. De soort staat, zoals alle vleermuizen in de Europese Unie, in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder het EUROBATS-verdrag.
Wetenschappelijke naam
Pipistrellus kuhlii | (Kuhl, 1817)
Kuhl beschreef de soort in 1817 als Vespertilio kuhlii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Pipistrellus is gevormd bij het Italiaanse pipistrello 'vleermuis', dat teruggaat op het Latijnse vespertilio, bij vesper 'avond'. kuhlii eert de Duitse natuuronderzoeker Heinrich Kuhl (1797–1821), die op zijn vierentwintigste op Java stierf. Natterer bedacht de naam; doordat Kuhl hem als eerste in druk bracht, geldt hij als auteur van zijn eigen eponiem. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Trieste.






