Alle soorten › Roofdieren › Katachtigen › Luipaard
Luipaard | Panthera pardus
Leopard | Leopardo
De luipaard heeft een zeer groot areaal, van zuidelijk Afrika tot het Russische Verre Oosten, maar in het gidsgebied is hij bijna verdwenen. In Noord-Afrika, de Levant en Turkije leven of leefden kleine, geïsoleerde bevolkingen; de Arabische luipaard geldt in de Negev en het Hebrongebergte als lokaal uitgestorven, in Marokko en Tunesië is de soort mogelijk of zeker verdwenen, en in Turkije is zij na 2004 opnieuw vastgesteld. De IUCN beoordeelt de soort sinds 2025 als kwetsbaar.
Sporen
In Turkije berustten de eerste nieuwe waarnemingen na 2004 op prenten; later kwamen er cameraval- en warmtebeeldopnamen en directe waarnemingen bij. In woestijngebieden schuilt de luipaard overdag in grotten, holen of de schaduw van dichte begroeiing, en de jongen worden geboren in grotten, rotspartijen, verlaten holen of dichte struwelen.
Herkenning
Een grote, krachtige kat met een lange staart van meer dan de halve romplengte. De grondkleur varieert per gebied van helder goudgeel tot lichtgeel en roestachtig geel, met een witte onderzijde. Kop, nek, schouders, poten en achterhand dragen zwarte vlekken; op de flanken en de rug vormen de vlekken rozetten zonder vlek in het midden. De staart is gevlekt en gebandeerd, met een punt die boven zwart en onder wit is. Het vlekkenpatroon verschilt per dier. Er zijn zwarte (melanistische) luipaarden; in Thailand, Maleisië en op Java komen ze veel vaker voor dan in Afrika. Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes; er is veel regionale variatie in grootte: in de Kaap wegen mannetjes gemiddeld 30,9 kg en vrouwtjes 21,2 kg, elders komen mannetjes van 50 tot 60 kg voor.
Gelijkende soorten
Binnen het gidsgebied komt geen andere grote gevlekte kat voor. De caracal is veel kleiner, ongevlekt en heeft een korte staart en oorkwasten. Van dichtbij verschilt de luipaard van de jaguar van Amerika, die rozetten mét middenvlek heeft; die soort komt in het gidsgebied niet voor. Een luipaard is op een cameravalbeeld aan het vlekkenpatroon individueel te herkennen.
Leefgebied
De luipaard leeft in bijna elk type leefgebied. In woestijnen komt hij alleen voor waar rivierlopen de woestijn binnendringen; in de Sahara, de Sinaï en de Arabische woestijn gebruikt hij grotten, holen of de schaduw van dichte begroeiing om de hitte overdag te doorstaan. Elders leeft hij in savanne, bos, struweel en berggebieden. De soort kan dicht bij mensen leven zolang zij niet wordt vervolgd en over veilige schuilplaatsen beschikt.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Afrika ten zuiden van de Sahara, geïsoleerde bevolkingen in Noord-Afrika, het Arabisch Schiereiland, de Kaukasus en Zuidwest-Azië, en verder door India en Zuidoost-Azië tot Java, China en het Russische Verre Oosten. Binnen het gidsgebied: in Marokko mogelijk uitgestorven (laatste melding 1983 volgens een overzicht uit 2016), in Algerije mogelijk nog aanwezig (laatste melding 2005), in Tunesië uitgestorven, in Egypte aanwezig. In de Negev en het Hebrongebergte geldt de Arabische luipaard als lokaal uitgestorven. In Turkije is de Anatolische luipaard na 2004 in een groot aantal provincies vastgesteld, van Kars in het oosten tot Antalya in het zuiden; de meeste waarnemingen komen uit het noordoosten, buiten het gidsgebied. Van de waarnemingen sinds 2006 binnen het gidsgebied komen er bijna alle uit Israël.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
In de meeste onderzochte gebieden overwegend nachtactief. Luipaarden leven solitair; buiten de paring is de enige langdurige band die tussen moeder en jongen. Het leefgebied van een mannetje overlapt meestal met dat van een of meer vrouwtjes. De luipaard is een opportunistische jager op een grote verscheidenheid aan prooien; in veel gebieden bestaat het voedsel grotendeels uit kleine tot middelgrote zoogdieren van 5 tot 45 kg. Vrouwtjes kunnen het hele jaar bronstig worden. Na een draagtijd van ongeveer 96 dagen worden 1 tot 3 jongen geboren, meestal 2. Ze lopen vanaf ongeveer drie maanden met de moeder mee, zijn op 12 tot 18 maanden zelfstandig en op twee tot drie jaar geslachtsrijp.
Waar en wanneer kijken
In het gidsgebied is een waarneming vrijwel uitgesloten. Mogelijke meldingen uit Noord-Afrika, de Sinaï, de Negev of Zuid-Turkije zijn alleen met foto of cameravalbeeld te beoordelen; het vlekkenpatroon maakt ook herkenning van het individu mogelijk.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU, 2025) op wereldschaal; de soort staat op bijlage I van CITES. In 2009 werden de Arabische, de Noord-Afrikaanse en de Anatolische luipaard, samen met de Amoerluipaard, als ernstig bedreigde ondersoorten aangemerkt. De grootste bedreigingen zijn het verlies van leefgebied en wilde prooidieren door de uitbreiding van de veeteelt, en vervolging. De luipaard kan dicht bij mensen overleven en heeft geen sterk gespecialiseerde eisen aan prooi en leefgebied, maar is kwetsbaar voor vervolging.
Wetenschappelijke naam
Panthera pardus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Felis Pardus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Panthera is het Latijnse panthera, uit het Griekse panthēr. De oude uitleg als pan 'al' en thēr 'wild dier' is volksetymologie; het woord is vermoedelijk uit het Oosten overgenomen en de verdere herkomst is onbekend. pardus is het Latijnse woord voor 'panter', uit het Griekse pardos, dat op zijn beurt uit het Oosten komt; vergelijk het Perzische pars. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.





