Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Meervleermuis

Meervleermuis | Myotis dasycneme

Pond bat | Murciélago Ratonero Lagunero

De meervleermuis is een middelgrote Myotis van laaglanden met veel open water in het midden en oosten van Europa en verder oostwaarts tot aan de Jenisej. Zij jaagt boven kanalen, rivieren en meren en pakt prooien met de grote voeten van het wateroppervlak. Kraamkolonies zitten vooral in gebouwen. De soort staat als gevoelig op de mondiale Rode Lijst.

Meervleermuis (Myotis dasycneme)
Foto: Rauno Kalda — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Kraamkolonies zitten vooral in gebouwen: op zolders, in kerken en in holle ruimten onder daken, slechts af en toe in bomen, rotsspleten of vleermuiskasten. In Denemarken zijn incidenteel kolonies van enkele duizenden dieren gevonden. Onder een kraamverblijf ligt mest op zolderbalken en vloeren. 's Winters hangen de dieren alleen of in kleine groepjes in kelders, grotten en bunkers, en wisselen zij in de loop van de winter van verblijf. Boven open water zijn jagende dieren op zomeravonden in het licht van een lamp te zien als vleermuizen die laag boven het water vliegen.

Herkenning

Een middelgrote Myotis, duidelijk groter dan de watervleermuis: onderarm 43 tot 49 mm, gewicht 13 tot 18 gram. De vacht is ruig; de rug is bruin tot grijsbruin, de buik lichter, grijs tot geelwit. Gezicht en armen zijn bruin, oren en vlieghuiden grijsbruin, en aan weerszijden van de snuit zitten donkere wratjes. De oren zijn vrij kort en zonder inkeping; de tragus is korter dan de helft van de oorhoogte en relatief breed. De vleugel is aan de hiel vastgehecht, en de voeten zijn groot en sterk, met lange haren. De spoor is recht en vrij kort en reikt tot ongeveer een derde van de staart. De echolocatie bestaat uit breedbandige frequentiegemoduleerde signalen die bij 65 tot 85 kHz beginnen en bij 25 tot 35 kHz eindigen.

Gelijkende soorten

De watervleermuis (M. daubentonii) jaagt op dezelfde plekken en op dezelfde manier, maar is kleiner (onderarm 33 tot 42 mm, gewicht 6 tot 10 gram), heeft de vleugel aan de basis van de buitenste teen vastgehecht en een smallere, spitse tragus, en vliegt lager boven het water. Capaccini's vleermuis (M. capaccinii) heeft ook grote voeten, maar een dicht behaard scheenbeen en een vleugel aan het uiteinde van het scheenbeen; zij leeft in het Middellandse Zeegebied en overlapt nauwelijks met de meervleermuis. Boven water is de meervleermuis van de watervleermuis te onderscheiden door haar grootte en de hogere en snellere vlucht, maar een zekere determinatie is alleen aan een dier in de hand mogelijk.

Leefgebied

Bijna altijd gebonden aan water: kanalen, rivieren, beken, meren en vijvers, vaak brede, langzaam stromende rivieren met open oevers. De soort komt voor van zeeniveau tot 1500 m; 's zomers in laaggelegen graslanden en bossen, in de herfst en winter in het heuvelland. Voor de verplaatsing tussen zomer- en winterverblijven zijn bosrijke verbindingen van belang. Soms jaagt zij ook langs bosranden en boven weilanden, en een enkele keer boven zee.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Midden- en Oost-Europa, van Zuid-Zweden tot Noord-Frankrijk, Duitsland en Polen, en oostwaarts tot de Jenisej in Midden-Rusland; geïsoleerde populaties in Hongarije, Roemenië, Oekraïne en Noord-Kazachstan. Over het oostelijke deel van het areaal is weinig bekend.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De meervleermuis jaagt door te 'slepen' boven open, stil water: zij pakt prooien met de voeten of met de staartvlieghuid van het wateroppervlak, onder meer dansmuggen die net uit het water komen. Zij vliegt iets hoger en sneller (7 tot 9 m/s) dan de watervleermuis en Capaccini's vleermuis en kiest oevers zonder obstakels. Boven water eet zij vooral muggen, dansmuggen en schietmotten, langs bosranden kevers en nachtvlinders. Kraamkolonies tellen meestal minder dan honderd vrouwtjes, in enkele gevallen tot 750; mannetjes vormen zelden groepen van meer dan enkele tientallen. Vrouwtjes planten zich vanaf hun tweede jaar voort; soms worden twee jongen geboren. De soort trekt niet over grote afstanden, maar zomer- en winterverblijven liggen 100 tot 350 km uit elkaar. De hoogste bekende leeftijd is 21 jaar.

Waar en wanneer kijken

Op zomeravonden kun je jagende meervleermuizen boven brede kanalen en meren volgen met een batdetector en een zwakke lamp die van opzij over het water schijnt. Een grote, snel en recht vliegende 'watervleermuis' boven open water kan een meervleermuis zijn, maar een zekere determinatie vraagt een dier in de hand of een combinatie van zicht en een goede geluidsopname. Kraamverblijven op zolders worden niet betreden van mei tot augustus.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT, 2016). Er zijn geen schattingen van de totale populatie, maar een afname in de afgelopen decennia wordt vermoed, vooral in Nederland, en veel bekende kraamkolonies zijn verdwenen. Genoemde dreigingen zijn de achteruitgang van aquatisch leefgebied, waterverontreiniging, de vernietiging van oeverbegroeiing, en verstoring en verlies van verblijfplaatsen. Uit het oosten van het areaal is meer informatie nodig. De soort staat op bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn, zodat voor haar speciale beschermingszones moeten worden aangewezen, en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Myotis dasycneme | (F. Boie, 1825)

F. Boie beschreef de soort in 1825 als Vespertilio dasycneme; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Myotis is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en ous, genitief ōtos, 'oor': 'muisoor'. dasycneme is Grieks voor 'ruigschenkelig', van dasys 'dicht behaard' en knēmē 'onderbeen, schenen', naar de beharing op het onderbeen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Denemarken, Jutland.