Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Watervleermuis

Watervleermuis | Myotis daubentonii

Daubenton's bat | Murciélago Ratonero Ribereño

De watervleermuis is een kleine tot middelgrote Myotis die vlak boven het oppervlak van rustig water jaagt, van beken en vijvers tot rivieren en meren. De soort komt voor in het grootste deel van Europa en West-Azië en is in grote delen van Midden- en Oost-Europa een van de talrijkste vleermuizen. Zomers verblijft zij vooral in boomholten, 's winters in grotten, mijnen en andere ondergrondse ruimten, soms in groepen van duizenden dieren.

Watervleermuis (Myotis daubentonii)
Foto: Bouke ten Cate — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Kraamkolonies zitten in boomholten, rotte takken en verlaten spechtenholen, en ook in vleermuiskasten, onder en in bruggen en in gebouwen. Kleine kolonies wisselen om de drie tot vijf dagen van verblijf, zodat één kolonie in een jaar tot 40 boomholten kan gebruiken; onder een verblijf ligt daardoor meestal weinig mest. In de winter hangen de dieren in grotten, mijnen, bunkers en andere ondergrondse ruimten bij 3 tot 8 °C, en ook in boomholten; in het noordoosten van het areaal komen ze in grote aantallen bijeen, zoals 20 000 dieren in Nietoperek in Polen en tot 5000 in Berlijn. In september tot november komen zij in groten getale bijeen bij zwermplaatsen in grotten, mijnen en gebouwen.

Herkenning

Een kleine tot middelgrote vleermuis: onderarm 33 tot 42 mm, gewicht 6 tot 10 gram. De vacht van rug en buik is grijs of bruinachtig, met donkere haarbases en lichtere, soms roodachtige punten; de buik is iets lichter dan de rug. De vleugels zijn donkerbruin of grijs; jonge dieren zijn donkerder dan volwassen. De oren zijn vrij klein en driehoekig, met vier tot vijf plooien; de tragus is recht, kort en spits en reikt tot ongeveer de helft van het oor. De voeten zijn groot en bezet met lange haren of borstels. De vleugel begint aan de basis van de tenen; de staartvlieghuid is onbehaard. De echolocatie bestaat uit korte, sterk gemoduleerde signalen die boven 60 kHz beginnen en onder 30 kHz eindigen, met de meeste energie rond 40 kHz.

Gelijkende soorten

De meervleermuis (M. dasycneme) jaagt op dezelfde manier, maar is duidelijk groter (onderarm 43 tot 49 mm), heeft de vleugel aan de hiel vastgehecht en een brede, korte tragus, en vliegt hoger en sneller boven het water. Capaccini's vleermuis (M. capaccinii) in het Middellandse Zeegebied heeft grotere voeten, een dicht behaard scheenbeen en een vleugel aan het uiteinde van het scheenbeen. De baardvleermuis en Brandts vleermuis (M. mystacinus, M. brandtii) hebben een donkerder gezicht en donkere oren en duidelijk kleinere voeten, en jagen minder uitsluitend boven water. Op de batdetector overlappen de signalen met die van andere Myotis-soorten; het jachtgedrag vlak boven water geeft samen met het geluid vaak een aanwijzing, maar geen sluitende determinatie.

Leefgebied

Vooral oevers en water, natuurlijk en aangelegd: rivieren, beken, vijvers, meren en kanalen, verder bos, parken en hoogstamboomgaarden, van zeeniveau tot ongeveer 1400 m. De dieren verblijven in bos en vliegen van daaruit naar het water; ze jagen het liefst boven rustig water met open oevers, maar ook boven graslanden, open plekken en langs bosranden. In het Middellandse Zeegebied is de verspreiding onderbroken.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het grootste deel van Europa en West-Azië, van Zuid-Fennoscandinavië, de Britse Eilanden en het Iberisch Schiereiland oostwaarts tot West-Rusland (tot de regio Omsk), de Kaukasus en Noord-Turkije. In het Middellandse Zeegebied is het areaal onderbroken.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De watervleermuis jaagt op 5 tot 40 cm boven een rustig wateroppervlak en pakt insecten van het water met de voeten of de staartvlieghuid, of in de vlucht. Het voedsel bestaat in veel gebieden vooral uit tweevleugeligen, zoals dansmuggen, en daarnaast uit vliesvleugeligen, wantsen en nachtvlinders; in experimenten ving de soort ook vis. De dieren vliegen na zonsondergang uit en volgen lijnvormige landschapselementen zoals bosranden, sloten en paden naar het water, vaak in groepjes van twee tot zes; buiten de kraamtijd tot 10 km in rechte lijn. Kraamkolonies vormen zich in mei of begin juni en tellen enkele tientallen tot enkele honderden vrouwtjes, op sommige plekken tot 600. Vrouwtjes zijn na het eerste levensjaar geslachtsrijp. De jongen, meestal één, worden tussen half juni en juli geboren en vliegen na drie tot vier weken. Mannetjes verblijven in de kraamtijd in de kolonie of elders, in kelders, mijnen of tunnels. De paring vindt plaats van september tot november, vooral in oktober en november, bij zwermplaatsen waarvoor dieren tot 30 km afleggen. De soort geldt als niet-trekkend, maar kan 150 tot 304 km afleggen tussen kraam- en winterverblijf.

Waar en wanneer kijken

Op een zomeravond boven een vijver, kanaal of rustige rivier is de watervleermuis in de lichtbundel van een zaklamp die schuin over het water schijnt te zien als een vleermuis die in lage, snelle banen vlak boven het water heen en weer vliegt. Met een batdetector op ongeveer 40 kHz is het jagen als een regelmatige reeks tikken te volgen. Winterverblijven en zwermplaatsen worden niet verstoord.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2020). De soort is in veel delen van het areaal talrijk, vooral in Midden- en Oost-Europa. Sommige monitoringprogramma's wijzen op een toename van verspreiding en aantallen, maar de aantallen schommelen per gebied sterk. De soort staat op bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Myotis daubentonii | (Kuhl, 1817)

Kuhl beschreef de soort in 1817 als Vespertilio daubentonii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Myotis is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en ous, genitief ōtos, 'oor': 'muisoor'. daubentonii eert de Franse natuuronderzoeker Louis Jean-Marie Daubenton (1716–1800), die Buffon bij zijn Histoire naturelle de anatomie voor zijn rekening nam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland, Hessen.