Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Myotis alcathoe
Myotis alcathoe | Myotis alcathoe
Alcathoe Myotis | Murciélago Ratonero Bigotudo Pequeño
Myotis alcathoe is een van de kleinste Myotis-soorten van Europa, met een onderarm van 29,7 tot 34,6 mm en een gewicht van 3,5 tot 5,5 gram. Otto von Helversen en Klaus-Gerhard Heller beschreven haar in 2001 van een beek bij Kleistos in Centraal-Griekenland, na onderzoek van dieren uit Griekenland en Hongarije die door hun hoge roep en hun DNA afweken van de baardvleermuis. Uiterlijk lijkt zij op de baardvleermuis en Brandts vleermuis, maar genetisch staat zij buiten die groep: haar naaste verwant is M. hyrcanicus uit Iran. Zij is gebonden aan oud, vochtig loofbos bij beken.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Uitwendige sporen zijn er nauwelijks. Verblijven liggen achter losse schors en in holten van gebroken en rottend hout, 15 tot 22 m boven de grond, en worden vaak na een of enkele dagen verwisseld. Kraamkolonies zijn klein, zelden tot ongeveer 80 dieren. In de eerste helft van augustus zwermen de dieren bij sommige grotten, vaak samen met Bechsteins vleermuis en Brandts vleermuis; vangst bij zwermplaatsen en detectoropnamen boven beken in oud bos leveren de meeste gegevens op.
Herkenning
Kop-romp 39 tot 44 mm, staart 36 tot 37 mm, oor 11,4 tot 14,3 mm, onderarm 29,7 tot 34,6 mm. De rug is bruin tot roodbruin, de buik lichter bruin; de haren zijn 6 tot 8 mm lang, donker aan de basis met lichtbruine punten. Jonge dieren kunnen geheel grijs of bruin zijn. De vleugels zijn donkerbruin tot zwartachtig, maar lichter dan bij de baardvleermuis. De oren zijn kort en licht; de korte tragus heeft een duidelijke inkeping in de rand. Het gezicht is grotendeels behaard, en de kale huid is roze en veel lichter dan bij de baardvleermuis. Voeten, poten en duim zijn kort. De penis is van basis tot punt smal; het penisbeen is kort (ongeveer 0,5 mm) en breed. De roep is een van de hoogste binnen Myotis: pulsen van 2,5 tot 4 milliseconden die bij 120 kHz beginnen en bij ongeveer 46 tot 32 kHz eindigen, met een karakteristieke frequentie rond 53 kHz. De roep is zwak en op meer dan 10 m zelden op te vangen.
Gelijkende soorten
De soort behoort tot de 'baardvleermuizen' in uiterlijke zin, samen met de baardvleermuis (M. mystacinus), Brandts vleermuis (M. brandtii) en in Zuidoost-Europa M. davidii. Tot 2001 werden dieren van deze soort als baardvleermuis gedetermineerd, en ook nu is determinatie in de hand niet zonder twijfel. Wijzende kenmerken ten opzichte van de baardvleermuis zijn het kleine formaat, de roodbruine vacht, het lichte, roze gezicht, de lichte oren, en de lichtere vleugels. De vorm van de penis wordt in de literatuur als kenmerk binnen de groep gebruikt, maar het handboek beschrijft die bij zowel deze soort als de baardvleermuis als smal. De maten overlappen echter met die van de baardvleermuis (onderarm 32 tot 36,5 mm), en de kleur varieert met leeftijd. Op de batdetector wijzen een hoge eindfrequentie en een karakteristieke frequentie rond 53 kHz in de richting van deze soort, maar de eindfrequentie loopt volgens het handboek door tot 32 kHz en overlapt dan met de andere kleine Myotis-soorten. Een zekere determinatie berust op DNA. Veel oudere waarnemingen van de baardvleermuis in bosgebieden kunnen deze soort hebben betroffen; oude gegevens zijn daarom niet zonder meer aan een van beide toe te wijzen.
Leefgebied
Oud, vochtig loofbos met een complexe structuur en veel dood en rottend hout, meestal bij beken: bos met eik, linde, els en berk, oeverbos en bergbos met eik, haagbeuk en beuk. De soort lijkt hellend terrein te verkiezen. Zij komt vaak voor in dezelfde bossen als Bechsteins vleermuis en Brandts vleermuis. In de winter verblijft zij in grotten en andere kleine holten; winterverblijven in bomen zijn ook gevonden.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Verspreid en plaatselijk door het grootste deel van Europa, van Noord-Spanje tot Duitsland en Groot-Brittannië, en oostwaarts tot Zuidwest-Oekraïne en Turks Thracië. Uit Zuid-Zweden zijn roepen bekend die aan deze soort worden toegeschreven. De ondersoort M. a. circassicus leeft op de noordhellingen van de Grote Kaukasus in Rusland en Abchazië, mogelijk ook in Noordoost-Turkije en Azerbeidzjan. Bij de beschrijving was de soort alleen uit Griekenland en Hongarije bekend; het bekende areaal is sindsdien door DNA-onderzoek van gevangen dieren sterk uitgebreid, en de grenzen zijn nog niet vastgesteld.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De dieren verlaten het verblijf 30 tot 60 minuten na zonsondergang en zijn in twee pieken per nacht actief. Zij vliegen naar beken en rivieren in de buurt, zelden meer dan 3 tot 6 km van het verblijf, en jagen vooral in het bladerdak aan de bosrand en boven water. Prooien zijn kleine insecten, zoals muggen, kleine nachtvlinders, vliegen, mieren en kevers, en ook spinnen; die laatste wijzen erop dat ook van bladeren wordt afgepikt. Plaatselijk bestaat het voedsel vooral uit muggen (Nematocera). Kraamkolonies zitten in het bladerdak en bevatten weinig volwassen vrouwtjes; mannetjes leven meestal alleen. Jongen worden tot half juli geboren. De winterslaap vindt plaats in grotten en holten.
Waar en wanneer kijken
Oud, vochtig loofbos met een beek, op een helling, is het leefgebied waar een detector de meeste kans geeft. Neem op dicht bij het water en onder het bladerdak: de roep is zwak en draagt niet ver. Een opname met een hoge eindfrequentie is een aanwijzing, geen determinatie. Vangen en hanteren van vleermuizen is overal in de Europese Unie vergunningplichtig.
Staat van instandhouding
Onvoldoende gegevens (DD) op de mondiale Rode Lijst, beoordeeld in 2016; de beoordeling noemt de recente beschrijving als reden. Het handboek vermeldt dat de soort in lage dichtheden en verspreide populaties voorkomt, en dat geschikt leefgebied beperkt is. Als belangrijkste bedreigingen gelden verlies en versnippering van oud bos, vooral door houtkap, en aanrijdingen met verkeer. In de Europese Unie valt zij, zoals alle vleermuizen, onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn.
Wetenschappelijke naam
Myotis alcathoe | von Helversen & K.-G. Heller in von Helversen, K.-G. Heller, F. Mayer, Nemeth, Volleth, & Gombkötő, 2001
Von Helversen & K.-G. Heller in von Helversen, K.-G. Heller, F. Mayer, Nemeth, Volleth, & Gombkötő beschreef de soort in 2001 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Myotis is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en ous, genitief ōtos, 'oor': 'muisoor'. alcathoe is Alcathoë, een van de dochters van Minyas die Dionysus volgens de Griekse overlevering in vleermuizen veranderde; het staat als eigennaam naast de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Griekenland, Evritania.




