Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Noordse spitsmuis

Noordse spitsmuis | Sorex caecutiens

Laxmann's Shrew | Musaraña Careta

De noordse spitsmuis is een middelgrote Sorex van de noordelijke bossen, beschreven in 1788 van de oever van het Baikalmeer. Het areaal loopt van Fennoscandië en Oost-Polen door heel Siberië tot Korea, Sachalin en de Koerilen. In de Siberische taiga met een dikke moslaag is het vaak de talrijkste spitsmuis; in het Europese deel van het areaal is hij betrekkelijk schaars. Het Latijnse caecutiens betekent 'slechtziend'.

Noordse spitsmuis (Sorex caecutiens)
Foto: Deryni — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Er zijn geen sporen bekend die alleen van de noordse spitsmuis zijn. Paadjes onder de moslaag, keutels en prenten zijn niet van die van andere Sorex-soorten te scheiden. De soort wordt vastgesteld door vangonderzoek, meestal met valkuilen, en in braakballen van uilen, waarin schedels en onderkaken van Sorex aan de roodbruine tandpunten herkenbaar zijn; de toewijzing aan deze soort vraagt maten en een gespecialiseerde determinatiesleutel.

Herkenning

Een Sorex tussen dwergspitsmuis en gewone bosspitsmuis in. Overwinterde dieren hebben een bruine rug, roodachtige flanken en een grijze, vaak lichtgeel getinte buik; bij jonge dieren gaat de grijsbruine rug geleidelijk over in de lichtgrijze buik. Een bruikbaar kenmerk is de staart: scherp tweekleurig, bij jonge dieren van boven even donker als de rug, bij overwinterde volwassen dieren duidelijk lichter dan de rug. Jonge dieren van het jaar wegen ongeveer de helft van overwinterde volwassenen. De tandpunten zijn roodbruin. Het karyotype telt 2n = 42. Kop-romplengte 5,0 tot 7,3 cm, staart 2,8 tot 4,5 cm, achtervoet 10 tot 12 mm, gewicht 4 tot 12,5 gram; jonge dieren wegen 4 tot 7 gram.

Gelijkende soorten

In het noorden van Europa leven vier andere Sorex-soorten die in het veld niet betrouwbaar van de noordse spitsmuis te scheiden zijn. De gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) is groter, met een driekleurige vacht met een donkere rug. De grauwe spitsmuis (Sorex isodon) is groter en eentonig donker. De dwergspitsmuis (Sorex minutus) is kleiner, met een naar verhouding langere, dikke staart en een achtervoet die korter blijft. De kleine dwergspitsmuis (Sorex minutissimus) is nog veel kleiner, met een staart van hooguit de halve kop-romplengte. Omdat jonge dieren van de grote soorten in de zomer even zwaar zijn als volwassen noordse spitsmuizen, is ook in de hand de combinatie van staartkleur, staartlengte, achtervoet en gewicht nodig, en blijft de determinatie vaak pas aan de schedel en het gebit zeker. Witgetande spitsmuizen (Crocidura) komen in het grootste deel van het areaal niet voor en zijn aan de witte tanden en uitstekende oren te herkennen.

Leefgebied

Het kerngebied is de Siberische taiga met een dikke moslaag, waar de noordse spitsmuis vaak de talrijkste Sorex is. In het noorden leeft hij ook in struiktoendra. In het zuiden van het Europese deel van het areaal bewoont hij oude loofbossen met weinig gras en mos in de ondergroei. In de bossteppe is hij schaars. Binnen die bossen gebruikt hij vochtige plekken met strooisel, mos en dood hout, en de randen van venen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Noorwegen, Zweden en Finland in het westen door het noorden van Europees Rusland en heel Siberië tot Kamtsjatka, Sachalin, Koenasjir en mogelijk Hokkaido, en in het zuiden tot Kazachstan, Mongolië, Noordoost-China en het Koreaans Schiereiland. Acht ondersoorten worden erkend. In het gidsgebied leven er twee: S. c. laponicus in Fennoscandië, op het Kolaschiereiland en in de noordelijke taiga van Europees Rusland tot de Petsjora, en S. c. pleskei in de zuidelijke bossen van Oost-Europa, van Polen oostwaarts tot de Oeral. Aan de zuidwestrand van het areaal ligt het verspreidingsgebied in de Baltische staten, Wit-Rusland, het noordoosten van Polen, onder meer in het Woud van Białowieża, en het noorden van Oekraïne.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De noordse spitsmuis kent zoals andere spitsmuizen een afwisseling van korte rustperioden en actieve perioden over het hele etmaal. In de zomer vallen de langste actieve perioden 's nachts; in herfst en winter verschuiven ze naar de ochtend. Het voedsel bestaat vooral uit spinnen, duizendpoten, rupsen en andere larven en kevers, in een samenstelling die per streek verschilt: in Karelië eet hij vooral volwassen kevers. In herfst, winter en voorjaar neemt in Siberië het aandeel plantaardig voedsel sterk toe, tot 73 procent larikszaad in de maaginhoud in het stroomgebied van de Kolyma. Hij leeft solitair. Jonge dieren vestigen zich in de tweede helft van de zomer en bezetten in de winter een territorium; in het voorjaar houden vooral de vrouwtjes een territorium aan en breiden het uit met dat van vertrokken mannetjes, terwijl volwassen mannetjes rondzwerven door de territoria van meerdere vrouwtjes. In gevangenschap zijn noordse spitsmuizen minder agressief tegenover elkaar dan gewone bosspitsmuizen. De paartijd loopt van eind april of begin mei tot september, met tot vier worpen per seizoen en meestal vijf tot zeven embryo's, in het noorden meer. Jonge vrouwtjes van het jaar planten zich vaak al voort, jonge mannetjes zelden. Een winterslaap is er niet.

Waar en wanneer kijken

In het veld is een noordse spitsmuis niet met zekerheid te herkennen, omdat hij in heel zijn Europese areaal samen met andere Sorex-soorten voorkomt. De kans op een waarneming is het grootst in mosrijk naaldbos en aan veenranden in Fennoscandië, waar spitsmuizen in de zomer en de herfst soms even over een open plek schieten. Wie in het kader van een vergunning spitsmuizen vangt, let op de staart: bij een volwassen dier dat duidelijk lichter van onderen is en lichter dan de rug, met een roodachtige flank, is de noordse spitsmuis een goede kandidaat. Noteer staartlengte, achtervoet en gewicht, en laat twijfelgevallen aan de schedel bevestigen. Vondsten uit Polen, de Baltische staten en Wit-Rusland zeggen iets over de zuidwestrand van het areaal.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016) op de Rode Lijst van de IUCN. In Siberië is de soort vaak dominant of subdominant in de spitsmuizengemeenschap; in het Europese deel is hij betrekkelijk schaars. Specifieke bedreigingen zijn voor de soort niet vastgesteld. In het Europese deel van het areaal is hij gebonden aan vochtige bossen met een moslaag of een strooisellaag en aan veenranden. Hij staat op bijlage III van de Conventie van Bern.

Wetenschappelijke naam

Sorex caecutiens | Laxmann, 1788

Laxmann beschreef de soort in 1788 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sorex is het Latijnse woord voor de spitsmuis. caecutiens is Latijn voor 'slechtziend', het tegenwoordig deelwoord van caecutire 'half blind zijn', bij caecus 'blind', naar de zeer kleine ogen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Siberië.