Alle soorten › Haasachtigen › Hazen en konijnen › Oryctolagus algirus
Oryctolagus algirus | Oryctolagus algirus
Iberian Rabbit | Oryctolagus algirus
Oryctolagus algirus is het konijn van West-Iberië en de Maghreb, en wordt pas sinds kort als aparte soort erkend. Ongeveer twee miljoen jaar geleden raakten de konijnen van het Iberisch Schiereiland gescheiden in twee ijstijdrefugia — een rond de Ebro en een rond de Golf van Cádiz — en die lijnen zijn gescheiden gebleven. De westelijke lijn draagt nu de naam Oryctolagus algirus. De soort heeft geen eigen Nederlandse, Engelse of Spaanse volksnaam; in Portugal en Spanje heet hij konijn, net als de oostelijke zustersoort.
Sporen
De sporen van deze soort zijn in Zuidwest-Europa talrijk en goed zichtbaar. De keutels zijn ronde, droge, vezelige bolletjes van 7 tot 12 mm, geelbruin tot bijna zwart, en liggen niet verspreid maar in latrines: hopen van tientallen tot honderden keutels op een verhoging — een molshoop, steen, termietenheuvel of greppelrand — die maandenlang worden gebruikt en als territoriumgrens dienen. Een latrine ligt meestal aan de rand van een burcht. De burcht bestaat uit een netwerk van pijpen van 10 tot 15 cm doorsnee, lager en breder dan die van een vos, met een zandwaaier ervoor en gladgesleten wissels door de cistusstruiken. De prent is klein en zelden scherp: vier tenen, geen zichtbare kussens door de dichte beharing van de zool, de achtervoet 3 tot 4,5 cm lang; het spoorpatroon is hetzelfde Y-patroon als bij de haas, maar kleiner, met sprongen van 20 tot 40 cm. In het droge zuiden zijn de vraatsporen het snelst te herkennen: gras dat tot op de grond is afgebeten, twijgen die schuin en scherp zijn doorgebeten, en bast van jonge kurkeiken en olijfbomen die is weggeknaagd tot de hoogte die een zittend konijn bereikt.
In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Uiterlijk een konijn: grijsbruin met een roestrode nek, korte oren zonder zwarte punt en een korte staart die aan de bovenzijde zwart en aan de onderzijde zuiver wit is; de witte onderzijde is zichtbaar wanneer het dier wegrent. Vergeleken met het gewone konijn is hij kleiner en lichter gebouwd — ongeveer een kilo tegen anderhalf tot twee — met een naar verhouding kleinere kop en een donkerdere, meer roodbruine vacht. Het gewichtsverschil is in de hand meetbaar maar in het veld niet zichtbaar, en op een foto zijn de twee soorten niet te scheiden. In de praktijk bepaalt de vindplaats de soort: ten westen van de lijn Galicië–Guadalquivir en in Noordwest-Afrika behoren wilde konijnen tot deze soort.
Gelijkende soorten
Alleen het gewone konijn (Oryctolagus cuniculus) is een reële verwarringsmogelijkheid, en de scheiding is geografisch, niet uiterlijk: het gewone konijn bewoont oostelijk en noordoostelijk Iberië en is van daaruit wereldwijd verspreid; deze soort bewoont het westen en zuidwesten van Iberië en Noord-Afrika. Tussen beide loopt van Galicië naar Andalusië een smalle contactzone waarin ze samen voorkomen en weinig kruisen; dat is een van de argumenten om ze als twee soorten te behandelen. Buiten de vindplaats geven alleen genetisch onderzoek of schedelmetingen uitsluitsel. De Iberische haas (Lepus granatensis) is veel groter en hoogpotiger, met lange oren met zwarte punt en een staart die van boven zwart is; hij graaft niet en gebruikt geen holen. Het floridakonijn, uitgezet in Italië en Frankrijk, komt in Iberië niet voor.
Leefgebied
Het mediterrane mozaïeklandschap: cistus- en heidestruweel, macchia en garrigue met open plekken, duinen, dehesa's van kurkeik en steeneik, akkerranden, braakland en bermen van wegen en spoorlijnen. De soort heeft zowel grond nodig die zacht genoeg is om in te graven als dekking op korte afstand, en verdwijnt wanneer een van beide ontbreekt. In Portugal en Zuidwest-Spanje komt hij voor van zeeniveau tot ruim duizend meter, in Marokko en Algerije in de kustvlakte en aan de voet van de Atlas.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Portugal, Galicië, West- en Zuidwest-Spanje tot aan de Guadalquivir, en Noordwest-Afrika (Marokko en Algerije). Binnen Spanje behoren de konijnen van Catalonië, Aragón, Navarra en het Ebrodal tot het gewone konijn, die van Extremadura, West-Andalusië, Galicië en het westen van Castilië en León tot deze soort; de grens is diffuus, en in Doñana en de Sierra Morena komen beide lijnen voor na decennia van uitzettingen voor de jacht. Door mensen is de soort naar de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden gebracht, en hij komt ook voor op de Balearen, Corsica, Sardinië en Sicilië. De konijnen van de rest van Europa — waaronder die op de Britse eilanden (sinds de twaalfde eeuw) en in de Lage Landen (sinds de dertiende eeuw) — en de door mensen verspreide konijnen in Australië en Nieuw-Zeeland behoren tot de oostelijke lijn, Oryctolagus cuniculus.
Levenswijze
Vooral actief in de schemering en 's nachts, op rustige plekken ook in de vroege ochtend. Hij graast grassen en kruiden, in de zomer aangevuld met bast, wortels en zaad; hij drinkt zelden en haalt zijn vocht uit groen voedsel. Hij leeft in kolonies van enkele tot enkele tientallen dieren rond één burcht, met een rangorde waarin het dominante vrouwtje de beste kraamkamer krijgt. De voortplanting valt in Iberië vooral tussen november en juni en hangt af van de neerslag: in een nat jaar gaat hij langer door, in een droog jaar stopt hij eerder. Na 28 tot 30 dagen worden twee tot zeven naakte, blinde jongen geboren in een doodlopende zijgang, die de moeder met haar eigen buikhaar bekleedt en na elk bezoek weer dichtmaakt. De worpen zijn kleiner dan bij het gewone konijn en de dieren worden eerder geslachtsrijp. Hij is een hoofdprooi voor Iberische lynx, Spaanse keizerarend, vos, das, Egyptische ichneumon en oehoe.
Waar en wanneer kijken
Ga in de laatste twee uur voor zonsondergang naar een dehesa of cistusveld met zichtbare latrines en ga met de wind in het gezicht op tien meter van een zandwaaier zitten. In de Coto de Doñana, de Sierra de Andújar en de Alentejo worden op die manier geregeld konijnen gezien. Overdag is het dier weinig te zien, maar latrines en wissels laten direct zien of een terrein bezet is; op die sporen baseren ook de lynxtellingen zich. In het westen van Iberië en in Portugal gaat het bij een wild konijn om deze soort.
Staat van instandhouding
Niet beoordeeld (NE): de Rode Lijst behandelt de soort nog niet afzonderlijk, omdat de afsplitsing uit 2026 dateert. De studie die de soort beschreef wijst op het gevolg daarvan. De ruime soort Oryctolagus cuniculus is sinds 2019 als bedreigd (EN) beoordeeld, maar dat oordeel middelt twee lijnen met een tegengestelde ontwikkeling: het gewone konijn handhaaft zich of neemt toe in Oost-Spanje en in de gebieden waar het is uitgezet, terwijl de westelijke lijn in Portugal en Zuidwest-Spanje sterk achteruitgaat door myxomatose, het konijnenvirus RHDV2 en de omzetting van struweel in intensieve olijf- en amandelaanplant. Doordat beide lijnen onder één naam werden beheerd, bleef die achteruitgang lange tijd buiten beeld, en zijn op grote schaal dieren van de oostelijke lijn uitgezet in het gebied van de westelijke. Dit is van direct belang voor de Iberische lynx, die voor zijn voedsel grotendeels van dit konijn afhankelijk is.
Wetenschappelijke naam
Oryctolagus algirus | (Loche, 1867)
Loche beschreef de soort in 1867 als Cuniculus Algirus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Oryctolagus is Grieks, van oryktos 'gegraven, gravend' en lagōs 'haas': de gravende haas. algirus betekent 'van Algiers', naar de stad waarvan Loche als conservator de fauna beschreef; de naam gaat terug op het Arabische al-Djazāʾir 'de eilanden'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algerije.






