Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Plecotus kolombatovici
Plecotus kolombatovici | Plecotus kolombatovici
Kolombatovic's Long-eared Bat | Plecotus kolombatovici
Plecotus kolombatovici is een grootoorvleermuis van de kusten en eilanden van het oostelijke Middellandse-Zeegebied, van de Adriatische kust van Kroatië tot Libanon en Cyprus. Đulić beschreef haar in 1980 van het eiland Korčula als ondersoort van de grijze grootoorvleermuis; in 2001 werd zij op grond van genetische en morfologische verschillen tot soort verheven. De onderarm meet 36 tot 39 mm en is gemiddeld korter dan bij de gewone, de grijze en de berggrootoorvleermuis; het gewicht ligt rond 7 gram.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Kraamkolonies verblijven in rotsspleten, karstholten en oude gebouwen, soms samen met andere vleermuissoorten; afzonderlijke dieren in rotsspleten, scheuren in muren en grotten. In Albanië gebruikt de soort het hele jaar door, ook in de voortplantingstijd, bunkers als verblijf. In de winter wisselt zij van verblijf en hangt zij alleen of in kleine groepjes in grotten, mijnen en bomen. Onder hangplekken in een grot of gebouw liggen keutels en soms vlindervleugels. Met een detector is de roep alleen van dichtbij op te nemen en niet van die van andere grootoorvleermuizen te scheiden.
Herkenning
Een kleine grootoorvleermuis met oren van 29 tot 35 mm. De rugvacht is zeer dicht, 11 tot 12,5 mm lang, bruinachtig, vaal of zandkleurig, met driekleurige haren; de buikzijde is witachtig, met haren die aan de basis donker en aan de punt wit of grijs zijn. Kenmerkend is dat de vacht gezicht en kin bijna volledig bedekt; de snuit is donker en klein, met kleine wratjes rond de mond die met kort haar begroeid zijn. De vleugels zijn bijna doorzichtig en zwak gepigmenteerd. De klauwen zijn kort, zoals bij de grijze grootoorvleermuis, en de tibia is korter dan 18 mm. Anders dan bij de andere soorten ontbreken tastharen op de voeten. De penis is rond of knotsvormig. Mannetjes hebben een onderarm korter dan 38 mm, vrouwtjes tot 39 mm. De schedel is klein, met een korte snuit en vooraan twee sterke kammen gescheiden door een groef, zoals bij de grijze grootoorvleermuis. De roep heeft de bouw van alle grootoorvleermuizen, met twee harmonischen die elkaar meestal niet overlappen.
Gelijkende soorten
De grijze grootoorvleermuis (P. austriacus) komt in hetzelfde gebied voor en is in Albanië op dezelfde plek vastgesteld. Zij is groter (onderarm 36,5–43,5 mm), heeft een donker, kaal ogend gezicht met een lange snuit en een langere, bredere tragus (meer dan 14 mm); de korte klauwen en de knotsvormige penis hebben beide soorten gemeen. De gewone grootoorvleermuis (P. auritus) heeft een licht gezicht, een duim langer dan 6,5 mm met lange, gebogen klauwen en behaarde voeten. De berggrootoorvleermuis (P. macrobullaris), die in de Dinarische Alpen, Griekenland en op Kreta voorkomt, heeft een driehoekig kinkussentje, een duim langer dan 6,2 mm en een cilindrische penis; op zolders in Kroatië zijn beide soorten samen aangetroffen. De populaties van Noord-Afrika en Pantelleria, die eerder tot P. kolombatovici werden gerekend, gelden nu als P. gaisleri; die soort verschilt alleen in maten van schedel en penisbeen. In het zuidoosten grenst het areaal aan dat van de Noordoost-Afrikaanse grootoorvleermuis (P. christii), die bleker is, met een bijna naakt, licht gezicht. Omdat de maten van de soorten overlappen, is determinatie op uiterlijk alleen voorlopig; recente vondsten, zoals die in Italië, zijn met DNA bevestigd.
Leefgebied
De soort komt voor in uiteenlopende leefgebieden: bos en boomrijk terrein, maar ook open en halfopen land zoals akkers en mediterraan struweel. Zij is vastgesteld boven kleine brakke beken, in biologische olijfgaarden en in karstgebieden langs de Middellandse-Zeekust. In Kroatië komt zij voor van zeeniveau tot 800 m, vooral in droge, warme leefgebieden. Zij jaagt in open ruimte, boven struiken en open plekken in het bos.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De Adriatische kust van Kroatië en de zuidelijke Balkan, Griekenland, Zuid-Turkije, Noordwest-Syrië en Libanon, en de eilanden Kreta, Rodos en Cyprus; waarschijnlijk ook Israël, Palestina en Jordanië. In 2019 is de soort met DNA voor het eerst op het Italiaanse vasteland bevestigd; een verspreidingsmodel voorspelt geschikt leefgebied langs een groot deel van de Tyrreense kust. Een vondst uit Albanië wijst op een ruimere verspreiding in de zuidwestelijke Balkan. Oudere meldingen uit Bosnië en Herzegovina berusten op maten en zijn niet genetisch bevestigd. De soort is monotypisch. De populaties van Noord-Afrika, die een tijd als ondersoorten van P. kolombatovici werden behandeld, gelden nu als P. gaisleri.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Het voedsel bestaat vooral uit nachtvlinders, kevers en vliegen, die zowel in de vlucht als van oppervlakken gevangen worden, op een manier die op die van de grijze grootoorvleermuis lijkt. Kraamkolonies tellen enkele tientallen tot meer dan honderd vrouwtjes. De winter brengen de dieren in winterslaap door, alleen of in kleine groepjes, in grotten, mijnen en bomen. Over voortplanting, levensduur en verplaatsingen zijn geen soortspecifieke gegevens gepubliceerd.
Waar en wanneer kijken
Grotten, karstspleten en oude gebouwen langs de kust van Dalmatië, Griekenland en de Egeïsche eilanden zijn de plekken waar deze soort verblijft. In het veld kun je op een foto letten op het behaarde gezicht en de kleine, donkere snuit, maar een determinatie zonder maten of DNA blijft onzeker. Verstoor verblijven in grotten niet; toerisme in grotten wordt als bedreiging genoemd.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) volgens de mondiale Rode Lijst, beoordeling 2023. Er zijn geen populatieschattingen; de soort is wijdverbreid en weinig kieskeurig in leefgebied. De Europese populaties nemen mogelijk af. Als bedreigingen in Europa worden verstoring van verblijven door toeristen en bestrijdingsmiddelen genoemd. Als Europese vleermuis valt de soort onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.
Wetenschappelijke naam
Plecotus kolombatovici | Đulić, 1980
Đulić beschreef de soort in 1980 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Plecotus is Grieks, van plekein 'vlechten, in elkaar draaien' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de reusachtige oren die boven het voorhoofd aan elkaar vastzitten. kolombatovici eert de Kroatische zoöloog Juraj Kolombatović (1843–1908), gymnasiumleraar te Split, die de fauna van Dalmatië beschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kroatië, Korčula.






