Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Rüppels dwergvleermuis

Rüppels dwergvleermuis | Vansonia rueppellii

Rüppell's Bat | Murciélago enano ventriblanco

Rüppels dwergvleermuis is een kleine vleermuis van savanne, woestijnoasen en rivieroevers in Afrika en het Midden-Oosten, met een grijze rug en een zuiver witte buik. J. B. Fischer beschreef haar in 1829 als Vespertilio rüppelii uit Dongola in Soedan. Zij werd lang tot Pipistrellus gerekend; op grond van genetische gegevens staat zij nu in een eigen geslacht, Vansonia, als zeer oude tak binnen de Pipistrellini of als zustergroep van Pipistrellus en Nyctalus. In het gidsgebied is alleen de noordrand van het areaal vertegenwoordigd: Israël, de Nijlvallei en de oasen van Egypte en Libië, en Marokko.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Er zijn weinig verblijven bekend. In Egypte werden losse dieren of paartjes onder stenen gevonden; in Zambia zat een dier achter een plank tegen een muur, op dezelfde plek enkele dagen later opnieuw. Mest of andere sporen zijn niet beschreven. Het meest zichtbare teken is de soort zelf, jagend in de schemering laag boven open water.

Herkenning

Een kleine vleermuis met een zachte, dichte, gladde vacht: de rug grijs, lichtgrijsbruin of sepiabruin, soms met zilverglans, de buik zuiver wit, de keel wit of licht roestbruin. Oren en gezicht zijn zwartachtig en steken af tegen de lichte vacht. De oren zijn voor een dwergvleermuis-achtige naar verhouding lang; de tragus is half zo lang als het oor, overal even breed, met een licht holle voorrand en ronde punt. De vleugels zijn meestal doorschijnend lichtgrijs, maar variëren van witachtig tot middenbruin; de staartvlieghuid is lichtgrijs en reikt tot de staartpunt. De vlucht boven water is snel en recht met plotselinge zwenkingen, duiken en opwaartse bochten, meestal ongeveer 1 m boven het wateroppervlak. De roepen zijn luid, steil frequentiegemoduleerd met een vrijwel constant eind; de beginfrequentie reikt tot 100 kHz, de eindfrequentie ligt in Israël bij 49 tot 53 kHz en in Marokko bij 54 tot 57 kHz, en de roepduur in Israël gemiddeld bij 4,2 ms.

Gelijkende soorten

De combinatie van zuiver witte buik, grijze rug en zwartachtig gezicht onderscheidt de soort van de andere kleine vleermuizen in haar deel van het gidsgebied. Kuhls dwergvleermuis (Pipistrellus kuhlii) is even groot, maar bruin met een lichtere, niet zuiver witte buik en met een witte vleugelzoom; zij roept lager, rond 34 tot 41 kHz. Hypsugo ariel in Israël en de Sinaï is kleiner en overal bleek, met een roze in plaats van zwartachtig gezicht. Savi's dwergvleermuis (Hypsugo savii) heeft ook een lichte buik, maar een donkere rug met goudkleurige punten en roept rond 30 tot 35 kHz. In de Maghreb en Egypte komt ook Pipistrellus deserti voor, een kleine, bleke soort; aan een dier in de hand beslissen daar de kleur van buik en gezicht en de maten.

Leefgebied

Vooral bos- en grassavanne, daarnaast woestijn en bergbos, en langs riviersystemen; in bos alleen waar er water in de buurt is om boven te jagen. In Egypte, Zambia, Botswana en Zimbabwe gebonden aan rivieren en moerassen; in Mauritanië in tijdelijke draslanden in acaciasavanne; in Libië en Egypte rond permanente oasen midden in de woestijn. Het handboek noemt hoogten van zeeniveau tot 1700 m. Gejaagd wordt boven open water en de omringende grazige of moerassige oevers.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Verspreid over Afrika en het Midden-Oosten: Noord-Afrika van Marokko tot Egypte, West-Afrika (Senegal, Mauritanië) oostwaarts tot Soedan en Ethiopië en zuidwaarts door vrijwel heel Afrika bezuiden de Sahara tot Noord-Zuid-Afrika en Zanzibar, en in het Midden-Oosten in Israël, Zuidoost-Irak, Koeweit, uiterst Zuidwest-Iran, Bahrein en Zuidwest-Jemen. Het handboek verwacht dat de verspreiding veel aaneengeslotener is dan de bekende vindplaatsen laten zien. Binnen het gidsgebied zijn de meeste gegevens uit Israël en Egypte, met enkele uit Marokko en Tunesië. Zes of zeven ondersoorten zijn beschreven, maar de twee Noord-Afrikaanse vormen (rueppellii en senegalensis) zijn morfologisch niet te scheiden; het handboek behandelt de soort daarom als monotypisch.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Rüppels dwergvleermuis jaagt vrijwel altijd boven open water en de omringende oeverbegroeiing, soms tot 10 m hoogte, en jaagt behendig op vliegende insecten: nachtvlinders, tweevleugeligen, kevers, schietmotten en vliesvleugeligen. Een maaginhoud uit Libië bestond voor 50 procent uit vliegen (Brachycera), voor 30 procent uit nachtvlinders en voor 20 procent uit muggen (Nematocera). Het grote aandeel van overdag vliegende vliegen wijst erop dat de dieren vroeg in de schemering uitvliegen. De soort leeft grotendeels alleen, maar jaagt boven water soms in groepen tot enkele tientallen dieren. Over de voortplanting in het noorden van het areaal is weinig bekend; in Zambia werden in september en november jonge dieren gezien, in Malawi in december. In Malawi raakten dieren overdag in torpor bij temperaturen van 21 tot 24 °C. Over een winterslaap in het noorden van het areaal is in de geraadpleegde bronnen niets vastgelegd. De vleermuiswouw (Macheiramphus alcinus) is als predator gemeld.

Waar en wanneer kijken

In het gidsgebied is de beste plek een oase, rivier of vijver in Israël of de Egyptische Nijlvallei in de schemering: de dieren jagen laag boven het water en de witte buik is bij laag licht soms te zien als de vleermuis draait. Met een detector is een reeks luide roepen die eindigt rond 50 kHz een aanwijzing, geen bewijs. Een vangst met determinatie in de hand vraagt een vergunning.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2017). De soort is wijdverbreid en in grote delen van Afrika algemeen. Een mogelijke bedreiging is het gebruik van bestrijdingsmiddelen tegen sprinkhanen, waardoor de vleermuizen zelf vergiftigd kunnen raken. In Noord-Afrika en het Midden-Oosten zijn de bekende vindplaatsen verspreid en vaak gebonden aan oasen en rivieren.

Wetenschappelijke naam

Vansonia rueppellii | (J. B. Fischer, 1829)

J. B. Fischer beschreef de soort in 1829 als Vespertilio Rüppelii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Vansonia eert Georges van Son (1898-1967), entomoloog aan het Transvaal Museum, waar Roberts de naam in 1946 gaf. rueppellii eert de Frankfurtse natuuronderzoeker Eduard Rüppell (1794–1884), die noordoostelijk Afrika bereisde; Fischer schreef nog Rüppelii, en de umlaut is volgens de regels als ue omgezet. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Soedan.