Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Savi's dwergvleermuis

Savi's dwergvleermuis | Hypsugo savii

Savi's pipistrelle | Murciélago Montañero

Savi's dwergvleermuis is een kleine vleermuis van rotswanden en berggebieden in Zuid-Europa, Noord-Afrika en Zuidwest-Azië. Bonaparte beschreef haar in 1837 uit Pisa als Vespertilio savii; lange tijd werd zij tot Pipistrellus gerekend, maar genetisch staat het geslacht Hypsugo in de tribus Vespertilionini, buiten de echte dwergvleermuizen. Onderarm 31 tot 38 mm, gewicht 5 tot 9 gram. Volgens het handboek breidt de soort zich sinds ongeveer dertig jaar uit naar Midden-Europa.

Savi's dwergvleermuis (Hypsugo savii)
Foto: Linzy L. — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De verblijven zijn lange, smalle rotsspleten en verticale scheuren in rotswanden, daarnaast ruimten onder schors en spleten in gebouwen, bruggen en muren; soms de ingang van een grot of onder stenen op de grond. De dieren vliegen direct na zonsondergang uit, soms al ervoor, zodat zij in het laatste daglicht langs rotswanden te zien zijn. Mest ligt onder de spleet op de rotsvoet of op de grond onder een muur, maar is zelden te vinden. Op de batdetector klinkt de soort als een regelmatige reeks tikken rond 32 kHz, lager dan de dwergvleermuizen en hoger dan de laatvliegerachtigen.

Herkenning

Een kleine vleermuis met een donkere rugvacht met goudgele tot gelige haarpunten, van zwartachtig tot lichtbruin, en een duidelijk lichtere, witgrijze buik met een vrij scherpe grens. Tussen de oren, bij de mondhoeken en op de schouders kunnen donkerroodachtige vlekken zitten. Huid, oren en vlieghuiden zijn zeer donker, bijna zwart. De oren zijn kort, de tragus is naar verhouding breed. De laatste twee staartwervels steken buiten de staartvlieghuid uit. De vlucht is rechter en voorspelbaarder dan die van de Pipistrellus-soorten, sneller en met minder richtingveranderingen, op 2 tot 100 m hoogte. De zoekroepen hebben een vrijwel constant frequentiedeel (QCF) met de meeste energie bij 30 tot 35 kHz, 7 tot 8 roepen per seconde tijdens het jagen en 3 tot 4 tijdens het verplaatsen.

Gelijkende soorten

De tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus) heeft eenzelfde kleurpatroon, maar is veel forser (onderarm 41 tot 50 mm). Kuhls dwergvleermuis (Pipistrellus kuhlii, onderarm 30 tot 37 mm) is even groot, heeft meestal een witte zoom langs de achterrand van de vleugel en een lichtere, bruine vacht zonder goudkleurige punten; haar roepen liggen bij 34 tot 41 kHz en overlappen aan de onderkant met die van Savi's dwergvleermuis. De noordse vleermuis (Cnephaeus nilssonii) heeft ook goudkleurige haarpunten, maar is groter (onderarm 37 tot 44 mm) en roept lager, rond 26 tot 32 kHz. De gewone dwergvleermuis (P. pipistrellus) roept met 42 tot 51 kHz duidelijk hoger. In Noordoost-Afrika en de Levant komt de verwante Hypsugo ariel voor, die kleiner en veel lichter gekleurd is. Sociale roepen met oplopende frequentie werden vroeger als kenmerkend beschouwd, maar de soort gebruikt een breed scala aan sociale roepen, zodat determinatie op die grond minder betrouwbaar is.

Leefgebied

Kenmerkend voor berggebieden in het mediterrane deel van het areaal, maar aanwezig van zeeniveau tot 3000 m. De soort jaagt in veel leefgebieden: bos, grasland, kustmoerassen en bebouwd gebied met tuinen en parken. Zij is talrijk boven water en in oeverbossen, maar zelden in dicht bos, en lijkt een voorkeur te hebben voor een mozaïek van akkers, maquis en garrigue, karstgebied en rotswanden. Vaste jachtplekken zijn straatlantaarns, rotswanden, weiden en vijvers.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

In het gidsgebied het hele Middellandse Zeegebied. De ondersoort H. s. savii leeft in Zuid-, Midden- en Oost-Europa van Italië tot de Balkan, in Anatolië, op Rodos, Kreta en Cyprus en in de Levant; H. s. darwini van het Iberisch Schiereiland tot Zwitserland, op de Balearen, Corsica, Sardinië en Sicilië en in Noord-Afrika van Marokko tot Tunesië, en daarbuiten op de Canarische Eilanden en Kaapverdië; H. s. caucasicus van de Krim en de Kaukasus oostwaarts tot West-China. Het handboek onderscheidt vier sterk uiteenlopende genetische lijnen – een Marokkaanse, een zuidwest-Europese, een Levantijnse en een zuidoost-Europees-Anatolische – die mogelijk afzonderlijke soorten zijn; voor darwini is dat al voorgesteld.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Savi's dwergvleermuis jaagt in de vlucht, alleen of in kleine groepjes, nooit vlak boven de grond. Het voedsel bestaat vooral uit nachtvlinders, vliesvleugeligen (onder meer zwermende vliegende mieren) en tweevleugeligen, aangevuld met netvleugeligen, kevers, schietmotten en cicaden. De activiteit is het hoogst in het eerste en laatste deel van de nacht. Kraamkolonies tellen gewoonlijk enkele tientallen dieren; de grootste gemelde, in Kroatië, telde tot 70 dieren. De jongen worden van begin juni tot eind juli geboren, meestal als tweeling. De paring valt in augustus en september, in dezelfde periode als het zwermen. De winterslaap wordt in ondergrondse ruimten en rotsspleten doorgebracht. Het handboek acht trek waarschijnlijk; de langste gemelde verplaatsing van ongeveer 250 km is van onbekende herkomst.

Waar en wanneer kijken

Een rotswand of kloof in een Zuid-Europees berggebied rond zonsondergang is de beste plek: de dieren komen vroeg naar buiten en jagen langs de wand. In dorpen en steden in het zuiden jaagt de soort ook rond straatlantaarns, vaak hoog, tussen dwergvleermuizen in. Op een detector die op 32 kHz staat, is zij van Kuhls dwergvleermuis (rond 38 kHz) en van de gewone dwergvleermuis (rond 45 kHz) te scheiden, al geeft een overlap tussen 34 en 36 kHz niet altijd uitsluitsel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). In Europa is de soort vrij talrijk, vooral rond de Middellandse Zee; aan de oostgrens van het areaal zijn de dichtheden laag. Het handboek vermeldt een uitbreiding naar Midden-Europa in de laatste dertig jaar, zonder aantallen. Specifieke bedreigingen zijn in het handboek niet genoemd. De soort staat in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Hypsugo savii | (Bonaparte, 1837)

Bonaparte beschreef de soort in 1837 als Vespertilio Savii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Hypsugo is door Kolenati gevormd zonder toelichting; het eerste deel wijst op het Griekse hypsi 'hoog, in de hoogte', het tweede laat zich niet thuisbrengen. savii eert de Italiaanse natuuronderzoeker Paolo Savi (1798–1871), hoogleraar te Pisa, waar het typemateriaal vandaan komt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Pisa.