Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Tweekleurige vleermuis

Tweekleurige vleermuis | Vespertilio murinus

Particoloured Bat | Murciélago Bicolor

De tweekleurige vleermuis dankt haar naam aan het contrast tussen een donkere, zilverig berijpte rug en een witte buik. Onderarm 41 tot 50 mm, gewicht 10 tot 24 gram. Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Vespertilio murinus uit 'Europa'; Baagøe beperkte de typelocatie in 2001 tot vermoedelijk de omgeving van Uppsala. Het geslacht Vespertilio telt twee soorten, waarvan alleen deze in het gidsgebied voorkomt. De soort is grotendeels honkvast, maar legt als een van de weinige Europese vleermuizen soms lange afstanden af: tot 1780 km, van Rusland naar Frankrijk.

Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Kraamkolonies zitten in gebouwen: achter betimmering, in spouwmuren, op zolders, in schuren en kelders, soms in boomholten, rotsspleten of vleermuiskasten. Mannetjes vormen in de zomer eigen groepen tot 300 dieren, soms ver van de kraamkolonie. In de herfst, de paartijd, maken mannetjes in de schemering en de nacht baltsvluchten met luide, herhaalde roepen rond 15 kHz boven boomkruinen of boven open terrein omgeven door bos. In de winter worden losse dieren of kleine groepjes gevonden in gebouwen, rotsspleten en kasteelruïnes, zelden in grotten of mijnen.

Herkenning

Een middelgrote vleermuis met lange, donkere rugvacht met zilverwitte haarpunten, waardoor de rug berijpt lijkt, en een scherp afgetekende witte buik en keel, soms met een gele of crèmekleurige zweem. Huid, oren en vlieghuiden zijn donker tot zwart. De oren zijn kort en afgerond, de tragus kort en breed, zoals bij de Nyctalus-soorten. De vleugels zijn smal (spanwijdte 27 tot 31 cm) en geschikt voor snelle vlucht; de soort jaagt meestal 10 tot 40 m boven de grond of de begroeiing. Vrouwtjes hebben als enige Europese vleermuis vier tepels. De zoekroepen beginnen met een frequentiegemoduleerd deel en eindigen in een vrijwel constant deel (QCF), met de meeste energie bij 22 tot 27 kHz. De baltsroepen van de mannetjes in de herfst hebben hun meeste energie rond 15 kHz; in Slovenië werd gemiddeld 14,7 kHz gemeten.

Gelijkende soorten

Savi's dwergvleermuis (Hypsugo savii) heeft een vergelijkbaar kleurpatroon, maar is veel kleiner (onderarm 31 tot 38 mm) en heeft goudkleurige in plaats van zilverige haarpunten. De noordse vleermuis (Cnephaeus nilssonii) is ongeveer even groot, maar heeft goudkleurige haarpunten en een beige tot lichtbruine buik zonder scherpe grens. De laatvlieger (C. serotinus) is groter en bruin. De bosvleermuis (Nyctalus leisleri, onderarm 35 tot 46 mm) heeft een vergelijkbare vlucht en eenzelfde tragus, maar een egaal bruine vacht. Op de batdetector lijken de zoekroepen sterk op die van bosvleermuis, laatvlieger en noordse vleermuis; zonder de baltsroep is een opname vaak alleen tot die groep te herleiden.

Leefgebied

Halfwoestijn, bebouwd gebied, landbouwgebied, struweel en oeverbegroeiing. De meeste jacht vindt plaats boven weiden en open akkerland, daarnaast boven bos en boven water; in Zwitserland jaagden mannetjes vooral boven meren en bebouwing en vrouwtjes boven open akkerland en bos. In het zuiden van het areaal komt de soort vooral in middelhoge tot hoge bergen voor. Het handboek noemt hoogten van zeeniveau tot 3400 m. Jachtgebieden liggen 2 tot 20 km van het verblijf; voor mannetjes is een jachtgebied van ongeveer 80 km² berekend, voor vrouwtjes ongeveer 15 km². De soort jaagt ook rond straatlantaarns.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het grootste deel van Europa en West-Azië tot Mongolië en Noordwest-China (ondersoort V. m. murinus); van Oost-Siberië tot Japan leeft V. m. ussuriensis. In het gidsgebied ligt het zwaartepunt in Midden- en Oost-Europa en Zuid-Scandinavië; in het westen en zuiden is de soort schaarser en daar zijn vooral mannetjes gemeld. Grote kraam- en mannetjeskolonies zijn alleen bekend uit het zuidwesten van het areaal, onder meer uit Zwitserland, Beieren en Oostenrijk; verder naar het zuiden zijn tot nu toe alleen mannetjes gevonden. Volgens het handboek breidt de soort zich uit in onder meer Denemarken en Nederland.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De tweekleurige vleermuis jaagt in snelle, wendbare vlucht op muggen, bladluizen, nachtvlinders en kevers; tweevleugeligen, bladluizen en nachtvlinders maken samen 60 tot 80 procent van het voedsel uit, met schietmotten, wantsen en netvleugeligen als aanvulling. De dieren vliegen laat in de avond uit. In het noorden van het areaal bestaan kraamkolonies van mei tot augustus en tellen zij tot 50 vrouwtjes, uitzonderlijk enkele honderden. De geboorten vallen van eind mei tot juli; vrouwtjes krijgen meestal twee jongen per jaar, en er zijn meldingen van drie. De paartijd valt in de herfst, met de baltsroepen van de mannetjes. De winterslaap wordt in gebouwen, rotswanden en ruïnes doorgebracht, alleen of in kleine groepen. De hoogste bekende leeftijd is 14,5 jaar.

Waar en wanneer kijken

De kans op een waarneming is het grootst in september en oktober, wanneer mannetjes in de schemering en de nacht baltsvluchten maken: met een detector die tot rond 15 kHz reikt zijn de ritmische roepen herkenbaar, en omdat ze dicht bij de bovengrens van het menselijk gehoor liggen, zijn ze voor een deel van de mensen ook zonder detector waarneembaar. In de zomer is een kraamkolonie in een gebouw bij het uitvliegen te tellen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is wijdverbreid en heeft vermoedelijk een grote populatie, al behoort zij niet tot de talrijkste soorten. Officieel zijn geen grote bedreigingen vastgesteld; het handboek noemt verlies van leefgebied en verblijven, verstoring van verblijven en sterfte bij windturbines, dat laatste door de hoge vlucht. De soort staat in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Vespertilio murinus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Vespertilio is het Latijnse woord voor 'vleermuis', bij vesper 'avond'. murinus is Latijn voor 'muiskleurig, muisachtig', bij mus 'muis'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden, Uppsala.