Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Sorex volnuchini
Sorex volnuchini | Sorex volnuchini
Caucasian Pygmy Shrew | Sorex volnuchini
Sorex volnuchini is de dwergspitsmuis van de Kaukasus en de omliggende gebergten. Hij werd in 1922 beschreven als ondersoort van de dwergspitsmuis (Sorex minutus) en wordt op grond van zijn chromosomen en genetisch onderzoek als aparte soort behandeld. Het areaal loopt van het zuiden van Europees Rusland door de Kaukasus tot Noord-Turkije en Noordwest-Iran. Binnen het gidsgebied ligt alleen de westrand van dat areaal, en of de dwergspitsmuizen van de Krim tot deze soort behoren, staat niet vast.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Er zijn geen sporen bekend die specifiek voor deze soort zijn. Keutels, paadjes en prenten zijn niet te scheiden van die van andere kleine Sorex-soorten. De soort wordt vastgesteld door vangonderzoek en in braakballen van uilen, waarin de kleine schedels en onderkaken met roodbruine tandpunten te herkennen zijn; de toewijzing aan deze soort in plaats van de dwergspitsmuis berust in de praktijk op de vindplaats.
Herkenning
Een kleine Sorex die sterk op de dwergspitsmuis lijkt. De vacht is tweekleurig: bij jonge dieren een lichte, bruinig olijfkleurige rug, bij volwassen dieren een donkerbruine rug, iets lichtere, geelachtig getinte flanken en een lichtgrijze buik. De staart haalt 70 tot 75 procent van de kop-romplengte en is scherp tweekleurig. De tandpunten zijn roodbruin. De soort wordt van noord naar zuid groter, wat de grote spreiding in de maten verklaart. Het karyotype telt 2n = 40. Kop-romplengte 4,3 tot 7,4 cm, staart 3,3 tot 5,0 cm, achtervoet 10 tot 13 mm, gewicht 2 tot 9 gram.
Gelijkende soorten
Van de dwergspitsmuis (Sorex minutus) is Sorex volnuchini uiterlijk nauwelijks te scheiden: beide zijn klein, tweekleurig en hebben een naar verhouding lange staart. Over de vraag of de twee aan uiterlijke kenmerken uit elkaar te houden zijn, is de literatuur verdeeld; het sluitende verschil is het karyotype, 2n = 40 tegen 2n = 42 bij de dwergspitsmuis. In de praktijk beslist de vindplaats, omdat de arealen elkaar grotendeels uitsluiten. In de Kaukasus en Noord-Turkije leven daarnaast grotere Sorex-soorten, zoals Sorex satunini en Sorex raddei, die door hun formaat en naar verhouding kortere staart te onderscheiden zijn. Witgetande spitsmuizen, waaronder de in het gebied algemene Crocidura gueldenstaedtii, hebben witte tanden, uitstekende oren en losse lange haren op de staart; waterspitsmuizen (Neomys) zijn groter en donker met een lichte buik.
Leefgebied
In de noordelijke Kaukasus leeft de soort in uiteenlopende leefgebieden, van bossen tot bergweiden. In de centrale en oostelijke Kaukasus, waar het klimaat droger is, wordt het scala smaller en worden vooral vochtige plekken langs het water bewoond. In het voorland van de Kaukasus zijn de aantallen ook in natte leefgebieden laag, mogelijk door concurrentie met de daar talrijke Crocidura gueldenstaedtii. In Turkije heeft hij een voorkeur voor vochtige bossen van beuk, zilverspar en fijnspar met rododendronstruweel en rotsen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het zuiden van Europees Rusland ten noorden van de Kaukasus, de Grote en Kleine Kaukasus in Rusland, Georgië, Armenië en Azerbeidzjan, het noorden van Turkije en het Talysjgebergte in Noordwest-Iran. Twee ondersoorten worden erkend: S. v. volnuchini in het Kaukasusvoorland, het oosten van Transkaukasië en het Talysjgebergte, en S. v. colchicus in Noord-Turkije en de westelijke Kaukasus. Het gidsgebied omvat alleen de westrand van dit areaal. Op de Krim leven dwergspitsmuizen die groter zijn dan die van het vasteland van Oekraïne; ze zijn beschreven als dahli en door een deel van de auteurs aan Sorex volnuchini toegewezen. Een overzicht van de knaagdieren en insecteneters van de Krim uit 2020 vermeldt de vondsten daar als dwergspitsmuis of Sorex volnuchini, zonder keuze tussen de twee.
Levenswijze
De soort is het hele etmaal actief, met de meeste activiteit in de donkere uren. Het voedsel is niet gericht onderzocht; in de maaginhoud van enkele dieren overheersten kevers en rupsen. De voortplanting begint eind maart of begin april en eindigt eind juli of begin augustus; vermoedelijk hebben vrouwtjes twee worpen per seizoen, van twee tot acht jongen, gemiddeld zes. Jonge dieren van beide geslachten kunnen zich in hun geboortejaar al voortplanten. Over leefgebied per dier en sociale organisatie zijn geen gegevens. Een winterslaap is er niet, zoals bij alle Sorex-soorten.
Waar en wanneer kijken
In het veld is Sorex volnuchini niet te herkennen; een kleine, tweekleurige spitsmuis met een lange staart in de Kaukasus of Noord-Turkije kan alleen als dwergspitsmuis in brede zin worden genoteerd. Zekerheid geeft vangonderzoek met chromosoom- of DNA-onderzoek, en dat vraagt een vergunning. Binnen het gidsgebied zijn vondsten van de Krim en van het westelijke deel van de Turkse Zwarte Zeekust het meest relevant, omdat daar de begrenzing van het areaal onzeker is. Noteer bij elke vondst de precieze plaats en hoogte.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016) op de Rode Lijst van de IUCN. De soort is in een deel van het areaal algemeen en plaatselijk talrijk, maar in andere streken zijn de aantallen laag; in de Russische republiek Kabardië-Balkarië staat hij op de regionale Rode Lijst. De onzekerheid over de soortgrenzen, vooral op de Krim, maakt uitspraken over de stand aan de westrand van het areaal moeilijk.
Wetenschappelijke naam
Sorex volnuchini | Ognev, 1922
Ognev beschreef de soort in 1922 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sorex is het Latijnse woord voor de spitsmuis. volnuchini eert een Volnoechin; Ognev licht de opdracht niet toe en wie hij bedoelde is niet vastgesteld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Adygea.





