Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Woelrat

Woelrat | Arvicola amphibius

Eurasian Water Vole | Rata topera

De woelrat is de grootste woelmuis van Europa en komt in twee vormen voor: een waterbewonende vorm langs slootkanten en oevers en een gravende vorm in de wortelzone van weiland, moestuin en boomgaard. De aardhopen van de gravende vorm worden vaak voor molshopen gehouden; een deel van de 'molshopen' in tuinen en weilanden is van deze soort.

Woelrat (Arvicola amphibius)
Foto: SwedishDjur — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De aardhopen van de woelrat behoren tot de meest verkeerd gedetermineerde sporen van Europa. De gravende woelrat werpt aardhopen op die meestal voor molshopen worden gehouden, maar het verschil is direct te zien. Een molshoop is een kegel van losse, kruimelige aarde, 10 tot 30 cm hoog en 20 tot 40 cm in doorsnede, van onderaf door een verticale schacht omhoog geduwd, en heeft daarom geen zichtbare opening: het midden is dicht. De woelrathoop is platter en breder, onregelmatig en niervormig in plaats van kegelvormig, en de aarde is zijdelings uitgeduwd vanuit een schuine gang; daardoor ligt de opening opzij, aan de rand van de hoop, en is zij ovaal, breder dan hoog en vaak nog open. In de aarde zitten afgebeten worteltjes, grashalmen en plantendelen, omdat de woelrat door de wortelzone graaft en de mol door de laag met regenwormen. Ook de gang zelf is kenmerkend: de gang van de mol is rond en hoger dan breed, die van de woelrat ovaal en breder dan hoog, met een vlakke bodem. Een tweede eenduidig spoor is vraat aan wortels. De woelrat schilt penwortels van peen, pastinaak en schorseneer, vreet tulpen-, krokus- en dahliabollen leeg en knaagt de wortels van jonge fruitbomen onder de grond rond, zodat een appelboom in de zomer geel wordt en zonder weerstand uit de grond te trekken is; de wortelhals is dan glad afgeknaagd, met paarsgewijze knaagstreepjes. Boomkwekerijen en jonge boomgaarden verliezen zo in één winter hele rijen bomen. Bij de waterbewonende vorm liggen de sporen langs de oever: pijpen in de oeverwal, ovaal en breder dan hoog, deels vlak boven en deels onder de waterlijn, met daaromheen een kortgevreten stuk grasland van een halve meter, waar het dier alles heeft afgegeten wat het vanaf de ingang kon bereiken. Vandaar lopen wissels, smalle, vrijgehouden paadjes door de oevervegetatie, en langs die wissels liggen eetplekken: hoopjes riet-, zegge- en grasstengels in stukken van vijf tot tien centimeter, schuin onder ongeveer 45 graden afgebeten, omdat het dier rechtop zit en de halm met de voorpoten vasthoudt. De keutels zijn het betrouwbaarste bewijs: 8 tot 12 mm lang en 4 tot 5 mm dik, cilindrisch met stompe, afgeronde uiteinden, beige tot groenbruin, bij breken van binnen donkergroen, en reukloos. Ze liggen niet verspreid maar in latrines: kleine, vaste hoopjes op een verhoging vlak bij een pijp of op een vlak plekje aan de waterkant, waarmee een vrouwtje haar oevertraject afbakent. Rattenkeutels zijn groter, spits toelopend, donker en ruiken sterk. De prent is zelden te zien en alleen in slib: de voorvoet drukt vier tenen af in een stervorm, de achtervoet vijf, met wijd gespreide tenen; de prent is ongeveer zo groot als een vingertop. In de winter gaat het graven onder de sneeuw door, en bij de dooi ligt het gangenstelsel als slingerende aardruggen in het gras.

Woelrat, pijpen tussen de graspollen in een bezette kolonie bij loch feith an leothaid, assynt: de openingen zijn breder dan hoog en de wissels lopen er als geveegde paadjes tussendoor
Pijpen tussen de graspollen in een bezette kolonie bij Loch Feith an Leothaid, Assynt: de openingen zijn breder dan hoog en de wissels lopen er als geveegde paadjes tussendoor · Foto: David Glass — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Woelrat, een heel stelsel langs een hooglandbeek: tientallen pijpen in de oeverwal, met kortgevreten plekjes ervoor en het wisselnet daartussen
Een heel stelsel langs een hooglandbeek: tientallen pijpen in de oeverwal, met kortgevreten plekjes ervoor en het wisselnet daartussen · Foto: David Glass — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Woelrat, zwemmend in de rivier de itchen, hampshire: hij ligt hoog op het water met de rug droog en de behaarde staart als roer achteraan
Zwemmend in de rivier de Itchen, Hampshire: hij ligt hoog op het water met de rug droog en de behaarde staart als roer achteraan · Foto: Andy Morffew — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Woelrat, kop van dichtbij tussen de rietbladeren: botte snuit, kleine zwarte ogen en oren die nauwelijks boven de vacht uitkomen
Kop van dichtbij tussen de rietbladeren: botte snuit, kleine zwarte ogen en oren die nauwelijks boven de vacht uitkomen · Foto: Dan Davison — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een zware, gedrongen woelmuis met een stompe, botte snuit, kleine oren die vrijwel in de vacht verzonken zijn en kleine, donkere ogen. De vacht is dicht en glanzend, grijsbruin tot donkerbruin en soms bijna zwart, de buik grijs tot vuilwit. De staart is behaard, eenkleurig donker en haalt ruwweg de helft tot twee derde van de kop-romplengte: lang voor een woelmuis, kort voor een rat. De snijtanden zijn oranjegeel. Een zwemmend dier ligt hoog op het water met een droge rug en laat een sliert luchtbellen achter; het duikt met een slag van de staart en kan een sloot onder water oversteken. Naast de waterbewonende vorm bestaat de gravende vorm, in Zuid-Limburg molmuis en in de Alpen scherman genoemd: kleiner, korter van staart, lichter en grijzer, met bredere voorpoten, en vrijwel nooit bij water te vinden. Beide vormen behoren tot dezelfde soort.

Gelijkende soorten

De belangrijkste verwarring is de bruine rat, die in dezelfde oevers leeft en even groot wordt; die heeft een spitse snuit, grote naakte oren die ver boven de vacht uitsteken en een geschubde, kale staart die zo lang is als het lichaam en aan de onderzijde bleek. De woelrat heeft een stompere snuit, kleinere oren en een kortere staart. De muskusrat is veel groter (kop-romp tot 35 cm) en heeft een zijdelings afgeplatte, kale staart en zwemranden van stijve haren aan de achtervoeten. Veldmuis, aardmuis en rosse woelmuis zijn met 9 tot 13 cm minder dan half zo lang; een grote veldmuis en een jonge woelrat kunnen op een foto op elkaar lijken, en dan beslist de staart, die bij de woelrat langer is dan een derde van de romp. De mol komt in dezelfde weilanden voor maar is bovengronds vrijwel nooit te zien; daar gaat het om de hopen, niet om het dier (zie de sporen). Aan de zuidrand van het verspreidingsgebied is de determinatie moeilijk: in Frankrijk, Spanje en Portugal komt de West-Europese woelrat (Arvicola sapidus) voor, die groter en donkerder is en in Frankrijk en Noord-Spanje deels met de woelrat overlapt; in Italië, Slovenië en Ticino is Arvicola destructor in het veld niet van de woelrat te scheiden, en in de Kaukasus geldt hetzelfde voor Arvicola persicus. Waar de soorten niet samen voorkomen, beslist de vindplaats en niet het uiterlijk.

Leefgebied

De twee vormen van de woelrat bewonen verschillende leefgebieden. De waterbewonende vorm leeft bij traag stromend of stilstaand zoet water met een steile, begroeide oever en minstens twintig centimeter waterdiepte: sloten, weteringen, beken, vaarten, poelen, veenplassen, rietkragen en zeggemoerassen. Kaalgevreten of beschoeide oevers worden gemeden, omdat het dier een dichte kruidlaag nodig heeft om zich in te verplaatsen en aarde om in te graven. De gravende vorm leeft los van het water in vochtig grasland, hooiland, boomgaarden, boomkwekerijen, moestuinen, dijken, spoortaluds en bergweiden, in de Alpen tot ruim boven de boomgrens. Hij mijdt zware klei en steenachtige bodem en verkiest diepe, losse, vochtige grond.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De woelrat komt voor van Groot-Brittannië en Noord-Spanje tot in Siberië, en van Noord-Scandinavië tot de Middellandse Zee; in de bergen tot ruim 3000 meter. Hij ontbreekt in Ierland, Portugal, op IJsland en op de meeste eilanden in de Middellandse Zee. Op het Iberisch Schiereiland is het voorkomen beperkt tot de Pyreneeën en het Cantabrisch Gebergte, met de gravende vorm in weiden en bergweiden in het noorden van Spanje; in Midden- en Zuid-Spanje is de West-Europese woelrat (Arvicola sapidus) de grote woelmuis van de oevers. In Nederland komt de soort in het hele land voor, behalve op de Waddeneilanden, en is zij langs sloten met een ruige kant algemeen, vooral in het waterrijke westen en noorden; in Zuid-Limburg leeft daarnaast de gravende vorm, de molmuis. In België is het beeld vergelijkbaar, met de gravende vorm in de Ardennen. In Groot-Brittannië was de woelrat vroeger het algemeenste zoogdier van de waterkant; sinds de jaren zeventig is hij uit meer dan negen tiende van zijn vroegere vindplaatsen verdwenen en uit veel stroomgebieden geheel. Bolwerken zijn er nog in de Schotse Hooglanden, delen van de Norfolk en Suffolk Broads, de moerassen van Yorkshire en Kent, en in de stad Glasgow, waar een gravende populatie in grasland ver van het water leeft.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De woelrat is de hele dag en nacht actief in korte perioden, met de meeste activiteit in de schemering en de vroege ochtend; overdag is hij goed te zien, vooral waar hij niet bejaagd wordt. Hij is vrijwel geheel plantenetend: grassen, zeggen, riet, kruiden, wortels, knollen, bollen, bast en in de nazomer zaden en vruchten, met af en toe een slak of insect. Hij eet dagelijks ongeveer tachtig procent van zijn eigen gewicht, wat de omvang van de vraatsporen verklaart. Voor de winter legt hij ondergrondse voorraadkamers met wortels en knollen aan; hij houdt geen winterslaap en graaft onder de sneeuw door. Vrouwtjes verdedigen een lineair territorium langs de oever en bakenen dat af met latrines; mannetjes bestrijken een langer traject waarin meerdere vrouwtjes leven. Van maart tot september volgen de worpen elkaar op: na twintig tot dertig dagen dracht drie tot acht jongen, tot vijf worpen per jaar, en de voorjaarsjongen planten zich in dezelfde zomer al voort. De levensverwachting is kort: de meeste dieren halen geen tweede winter. Vos, hermelijn, wezel, bunzing, blauwe reiger, buizerd, ransuil, snoek en, in Groot-Brittannië, de ingeburgerde Amerikaanse nerts zijn predatoren.

Waar en wanneer kijken

In mei of juni is de vroege ochtend geschikt langs een sloot of beek met een ruige, onbeschoeide kant. De woelrat is te horen aan een plons: geen sprong maar een korte, zware plof, waarna een sliert luchtbellen naar de overkant loopt. Na ongeveer tien minuten stilzitten keert het dier meestal terug naar dezelfde plek. Langs dezelfde oever zijn het kortgevreten stuk rond een pijp en de latrine erboven te vinden, ook als het dier zelf niet verschijnt. In het najaar en de winter zijn weilanden, boomgaarden en tuinen geschikt voor spoorzoeken: bij elke hoop is te controleren of de opening in het midden of opzij ligt. Een jonge fruitboom die in maart geel is en zonder weerstand uit de grond komt, wijst op vraat aan de wortels.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2021) en over het hele verspreidingsgebied een van de algemeenste zoogdieren van Europa. Regionaal is het beeld anders. In Groot-Brittannië is de soort sinds de jaren zeventig met meer dan negentig procent afgenomen en over grote gebieden verdwenen, door het rechttrekken en beschoeien van waterlopen, het verwijderen van oevervegetatie en vooral door de ingeburgerde Amerikaanse nerts, die klein genoeg is om de pijpen binnen te gaan; herstel steunt daar op nertsbestrijding en herintroductie. Op het vasteland is geen landelijke afname bekend, maar ook daar zijn strak beheerde, beschoeide en steile slootprofielen ongunstig, en de soort verdwijnt uit gebieden waar de oevers jaarlijks kaal worden gemaaid. De gravende vorm geldt in delen van Midden-Europa als plaag in boomgaarden en boomkwekerijen; de bestrijding daarvan treft ook de waterbewonende dieren, en die tegenstelling bepaalt het beheer.

Wetenschappelijke naam

Arvicola amphibius | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Mus amphibius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Arvicola is Latijn, van arvum 'bouwland' en colere 'bewonen': de bewoner van de akker. amphibius is het Griekse amphibios 'dubbel levend', van amphi 'aan beide kanten' en bios 'leven', naar het bestaan te land en te water. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Engeland.