Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Cabrerawoelmuis

Cabrerawoelmuis | Microtus cabrerae

Cabrera's Vole | Topillo de Cabrera

De Cabrerawoelmuis is de enige nog levende soort van het ondergeslacht Iberomys, een lijn die zich in het Midden-Pleistoceen op het Iberisch Schiereiland afsplitste en die alleen daar nog voorkomt. Het is een grote, selectief grazende woelmuis van vochtige, groenblijvende graspollen. Van de Iberische woelmuizen is hij de zwaarste en de enige die op de Rode Lijst staat. In tegenstelling tot de meeste andere woelmuizen is de soort goed te determineren.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

In Spanje en Portugal wordt de soort niet met vallen maar via de keutels gemonitord; voor een Europese zoogdiersoort is dat ongebruikelijk. De keutels zijn 4 tot 8 millimeter lang, cilindrisch en opvallend donkergroen, als gevolg van een dieet dat vrijwel geheel uit vezelig, groenblijvend gras bestaat. Ze liggen niet verspreid, maar in latrines: hoopjes van drie of meer keutels van verschillende ouderdom, binnen tien centimeter van elkaar, op een vast punt in de wissel, die herhaaldelijk worden gebruikt. Volgens Portugees onderzoek is drie minuten zoeken per tweehonderdvijftig vierkante meter voldoende om de soort met meer dan vijfentachtig procent zekerheid aan te tonen als hij aanwezig is; voor het afleiden van aantallen is veel meer inspanning nodig, en ook dan blijft het een grove maat. De latrines liggen langs de wissels, schoongeveegde tunneltjes door de onderkant van hoge graspollen en biezen, en bij de hoopjes afgeknipt gras die de soort langs de wissels achterlaat. Er zijn ook holen, maar die zijn ondiep en weinig talrijk; de dieren leven vooral bovengronds in de dichte grasvegetatie. Zoek in de zomer op de natste plek van de graspol, omdat de dieren zich dan daarheen terugtrekken.

Herkenning

Voor een woelmuis groot en zwaar: kop-romp 10 tot 13,5 cm en 30 tot 78 gram, anderhalf tot bijna vijf keer zo zwaar als de kleine Iberische graafwoelmuizen. De staart meet 3 tot 5,2 cm, ongeveer een derde van de kop-romplengte. De vacht is lang, zacht en dicht, okerbruin met lange zwarte dekharen die in een bleke of witte punt eindigen, waardoor de rug van dichtbij gespikkeld en grof is; de buik is geelwit tot roomkleurig. De oren zijn matig lang en steken duidelijk uit de vacht, de ogen zijn tamelijk klein en de schedel is in zijaanzicht sterk gewelfd. Twee kenmerken zijn in de hand beslissend: de achtervoet van meer dan twintig millimeter (bij alle andere Iberische Microtus korter) en het aantal voetzoolkussentjes: zes, tegenover vijf bij alle andere. De snijtanden staan duidelijk naar achteren gericht.

Gelijkende soorten

De soort deelt het leefgebied met vier andere woelmuizen; ten opzichte van alle vier is het formaat het eerste kenmerk: hij is duidelijk groter en zwaarder en heeft een lange, grove vacht, waar de andere een gladde vacht hebben. De Provençaalse woelmuis en de Lusitaanse woelmuis zijn beduidend kleiner (19 tot 32 gram), hebben zeer kleine ogen, korte oren die in de vacht verdwijnen en een veel kortere staart; ze leven ondergronds en werpen aarde op, terwijl de Cabrerawoelmuis nauwelijks graaft en zich bovengronds door de vegetatie verplaatst. De veldmuis is kleiner, geler en gladder en leeft in kort, droog, beweid gras, terwijl deze soort hoog, groenblijvend gras nodig heeft; in de hand zijn de achtervoet en het zesde voetzoolkussentje beslissend, en op de schedel is de jukboog van de Cabrerawoelmuis ongeveer 1,3 keer zo breed. Microtus lavernedii, de zuidelijke aardmuis, is ruiger en donkerder maar lichter, met kleine verborgen oren en vijf voetzoolkussentjes. Op afstand, zoals de soort meestal wordt gezien, is de combinatie van formaat, uitstekende oren en het leefgebied (een dichte, hoge, het hele jaar groene graspol langs een greppel of beek) vrijwel beslissend. Daarnaast laat de soort een kenmerkend spoor achter: donkergroene keutels in latrines.

Leefgebied

Het leefgebied is nauw omschreven: hoge, dichte, het hele jaar groenblijvende kruidachtige vegetatie op vochtige bodem, meestal hoger dan dertig centimeter, in een mediterraan klimaat met 600 tot 1200 millimeter neerslag. In de praktijk zijn dat smalle randen die het hele jaar water krijgen: de oever van een beek, een poelrand, een greppel, een irrigatiekanaal of een perceelsrand met een hoge grondwaterstand. De vegetatie is een mengsel van struisgras, dravik, zwenkgras, kropaarachtigen, riet en lisdodde, vaak met braam, cistus, gaspeldoorn of lavendel aan de rand. De soort geeft de voorkeur aan natuurlijke graslanden boven struweel, dennenaanplant, bouwland en ingezaaid grasland, en komt voor van zeeniveau tot ongeveer 1500 meter, vooral tussen 500 en 1200 meter. Een groot deel van het areaal ligt in de dehesa, het door kurkeik gedomineerde boomweidelandschap, en in kleinschalig akkerland met verspreide bosjes.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Endemisch op het Iberisch Schiereiland: Spanje en Portugal. Het areaal is niet aaneengesloten, maar bestaat uit vier of vijf gescheiden kernen (Midden-Spanje en het Iberisch Randgebergte, Zuid-Spanje en de Betische bergen, de Levante rond Valencia en Murcia, Zuidwest-Spanje met het aangrenzende Portugese Alentejo, en het noordwesten), en binnen elke kern uit honderden losse vlekken, soms kleiner dan tweeduizend vierkante meter. Fossielen tonen aan dat het areaal vroeger veel groter was: tot een- à tweeduizend jaar geleden kwam de soort ook in Zuid-Frankrijk voor, aan de noordzijde van de Pyreneeën, en in het Pleistoceen reikte de lijn tot in Noordwest-Italië. Het areaal neemt nog steeds af.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Overwegend dagactief: tussen oktober en april ligt de activiteitspiek rond het middaguur, tussen mei en september bij zonsopkomst en zonsondergang; over het jaar is de activiteit het hoogst in de winter. Bij hoge temperaturen laat hij zijn lichaamstemperatuur stijgen in plaats van water te gebruiken voor koeling. Vrijwel geheel planteneter en uitgesproken selectief: bladeren, stengels en zaden van eenzaadlobbigen (grassen, cypergrassen, russen en lelieachtigen), met een voorkeur voor sommige soorten en actieve vermijding van andere. De soort leeft in kleine kolonies van gemiddeld ongeveer tweeduizend vierkante meter, met woongebieden van veertig tot duizend vierkante meter; de kern waarin een dier de helft van zijn tijd doorbrengt, is soms niet groter dan enkele vierkante meters. Het paarsysteem is overwegend monogaam, en het mannetje blijft na de geboorte bij het vrouwtje en de jongen. De voortplanting is niet aan een seizoen gebonden, maar is intensiever in de winter en stopt tijdens de zomerdroogte; na drie weken draagtijd worden drie tot vijf jongen geboren, blind, doof en naakt, met de ogen open op dag elf en gespeend op dag vijftien. De soort is afhankelijk van verspreiding: kolonies sterven uit en worden opnieuw gesticht, en een dier kan in één nacht bijna 450 meter afleggen en in enkele maanden meer dan een kilometer.

Waar en wanneer kijken

Loop in de winter of het vroege voorjaar, bij voorkeur rond het middaguur, langs een greppel of beek in een Spaanse of Portugese dehesa en zoek naar een hoge, groene graspol die opvalt in een verder verdroogd landschap. Zoek daar niet naar het dier, maar naar een latrine: donkergroene keutels op een hoopje in een schoongeveegd tunneltje. Een latrine toont aan dat de soort aanwezig is, ook als het dier zelf niet wordt gezien. In Zuidwest-Portugal, Extremadura en Castilla-La Mancha is de kans het grootst. De zomer is ongeschikt: de vegetatie is dan afgegraasd of verdroogd, de dieren zitten op de natste plekken en de voortplanting ligt stil.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT, 2024) op wereldschaal en kwetsbaar op de nationale rode lijsten van Spanje en Portugal; de soort staat op bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn en in de Conventie van Bern, en Andalusië voert een eigen herstelprogramma. Het werkelijk bezette oppervlak wordt geschat op ongeveer 115.000 vierkante kilometer, verdeeld over een groot aantal kleine, onderling geïsoleerde vlekken, en dat oppervlak neemt af. De oorzaak is niet vervolging of jacht, maar het verdwijnen van het leefgebied: de vochtige, ongemaaide, het hele jaar groene rand. Ontwatering, ploegen tot aan de perceelsrand, het rechttrekken van greppels, hogere veedichtheden, wateronttrekking voor irrigatie, aanplant van eucalyptus en den, en branden doen die randen verdwijnen. In een Portugees agrarisch landschap sterft jaarlijks ongeveer een derde van de kolonies uit en ontstaat ongeveer de helft van dat aantal opnieuw; meer dan de helft van de lokale uitstervingen is direct toe te schrijven aan landbouwingrepen. Behoud van de soort hangt daarom vooral af van randenbeheer: het ongemoeid laten van een strook van enkele meters langs elke greppel is de belangrijkste maatregel.

Wetenschappelijke naam

Microtus cabrerae | O. Thomas, 1906

O. Thomas beschreef de soort in 1906 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. cabrerae eert de Spaanse zoogdierkundige Ángel Cabrera (1879–1960), toen nog een jonge medewerker van het museum in Madrid. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Spanje, Sierra de Guadarrama.