Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Microtus brachycercus
Microtus brachycercus | Microtus brachycercus
Calabria Pine Vole | Microtus brachycercus
Microtus brachycercus is een ondergrondse woelmuis van Zuid-Italië die uiterlijk niet van Savi's woelmuis te onderscheiden is. Lehmann beschreef het dier in 1961 als ondersoort van Savi's woelmuis, naar exemplaren uit Camigliatello Silano in de Sila (Calabrië). Vergelijking van de chromosomen en kruisingsproeven in gevangenschap toonden later aan dat mannelijke hybriden van beide vormen onvruchtbaar zijn; op die reproductieve isolatie berust de erkenning als aparte soort.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Over de sporen van deze soort is vrijwel niets gepubliceerd. Te verwachten is het patroon van de ondergrondse woelmuizen van het ondergeslacht Terricola: een ondiep gangenstelsel onder de zode, met kleine, lage hoopjes uitgegraven grond met de opening aan de zijkant, waarvan de grond gelijkmatig en steenvrij is omdat het dier met de tanden graaft. Een molshoop heeft de opening in het midden en een verticale gang, bevat grove grond met steentjes, en molshopen liggen in een regelmatige lijn. De woelrat, die in Italië ook hoopjes opwerpt, doet dat op grotere schaal. Verder zijn er schoongeveegde wisseltjes onder dichte vegetatie, aangevreten wortels en knollen en keutels van vier tot zeven millimeter. Om vast te stellen welke Terricola-soort in een streek voorkomt, is braakbalonderzoek (kerkuil of oehoe) met onderzoek van het gebit onder een loep de werkbare methode, met laboratoriumonderzoek voor de uiteindelijke determinatie.
Herkenning
Klein, met een zeer korte staart: kop-romp 8,7 tot 9,8 cm, staart 2,3 tot 2,7 cm, ongeveer tweeëntwintig procent van de kop-romplengte (de naam brachycercus betekent 'kortstaart'), en een gewicht van 14 tot 24 gram. De bouw is die van een typische ondergrondse woelmuis: stompe kop, zeer kleine ogen, oren die in de vacht verborgen zijn en een gedrongen lichaam. De vacht is donkerbruin op de rug en leigrijs op de buik. De schedel is klein, licht gebouwd en zonder kammen; de bovensnijtanden staan licht naar voren. De eerste onderkies is lang en samengesteld, met zes hoeken aan de binnenzijde; de tweede bovenkies is kort en vereenvoudigd, met drie. Vrouwtjes hebben zes tepels: twee paar in de liesstreek en één paar op de borst.
Gelijkende soorten
Deze soort is niet van Savi's woelmuis te onderscheiden, niet in het veld en niet in de hand, en aan de schedel alleen met metingen, en ook dan met overlap. Het Handbook of the Mammals of the World beschrijft haar als 'zeer gelijkend op Savi's woelmuis'. De soortstatus berust op drie kenmerken die uiterlijk niet zichtbaar zijn: het karyotype, het mitochondriaal DNA en de onvruchtbaarheid van mannelijke hybriden uit gerichte kruisingen. De determinatie berust daarom op de vindplaats: in Noord-Italië en het westen van Midden-Italië leeft Microtus savii, in Zuid-Italië en, volgens mtDNA-onderzoek, noordwaarts tot in het oosten van Midden-Italië deze soort (Bezerra e.a. 2016), en op Sicilië de derde verwante soort, M. nebrodensis. Waar de grenzen precies liggen is niet vastgesteld; Midden-Italië geldt als mogelijke contactzone, en daar is ook de vindplaats geen sluitend kenmerk. Van de andere woelmuizen van Zuid-Italië is de soort wel te onderscheiden: de veldmuis en Microtus lavernedii zijn groter, hebben duidelijk zichtbare oren, grotere ogen en een langere staart en graven niet; de rosse woelmuis is roodbruin, met grote ogen en een twee keer zo lange staart; de woelrat is vele malen groter. Een zeer kleine, donkerbruine woelmuis met een korte staart die in Calabrië grond opwerpt, is op grond van de vindplaats deze soort.
Leefgebied
Breed en cultuurvolgend: hooiland en weiden, tuinen en moestuinen, akkers, boomgaarden en olijfgaarden, stadsranden en bebouwd gebied, en open bos. Ook grasvelden in dorpen worden bewoond. Volgens het Handbook of the Mammals of the World bewoont de soort het hooggebergte niet; het middelgebergte wel, want de typelocatie Camigliatello Silano ligt op ongeveer 1270 meter op het hoogland van de Sila.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Endemisch in Italië: Zuid-Italië (Calabrië, Basilicata, Apulië met de Gargano, en Campanië) en, volgens mtDNA-onderzoek, noordwaarts tot in Midden-Italië, vooral aan de oostkant (Bezerra e.a. 2016). De typelocatie is Camigliatello Silano in de Sila. De grens met het areaal van Savi's woelmuis is niet scherp vastgesteld en is een open vraag in de Italiaanse zoogdierkunde. In gebieden als de Cilento, de Salento en Calabrië komt de soort algemeen voor, maar wordt ze zelden opgemerkt.
Levenswijze
Over de leefwijze is vrijwel niets bekend. Het Handbook vermeldt bij voedsel, activiteit, leefgebiedgrootte en sociale organisatie telkens 'geen gegevens'. Gepubliceerd is dat van vrouwtjes die in maart op de Monte Gargano in Apulië werden verzameld, er enkele twee tot vier embryo's droegen, gemiddeld drie à vier. Naar analogie van de goed onderzochte Savi's woelmuis wordt aangenomen dat de soort grotendeels ondergronds leeft in een ondiep gangenstelsel, zich voedt met wortels, knollen, bollen en groene plantendelen, het hele jaar actief is zonder winterrust, en zich in het mediterrane klimaat vooral in het koele halfjaar voortplant. Dit is een aanname op grond van analogie, geen waarneming.
Waar en wanneer kijken
Zoek niet naar het dier maar naar de hoopjes grond, die in Calabrië, Basilicata en de Salento algemeen zijn: langs bermen, in olijfgaarden en aan de rand van grasvelden in dorpen. De plaats van de opening en het ontbreken van steentjes in de grond tonen aan dat het om een woelmuis en niet om een mol gaat. Verdere determinatie in het veld is niet mogelijk. Er bestaat geen vrij beschikbare foto van een levend dier, de arealgrens is niet vastgesteld en levenswijze, voedsel en dagritme zijn niet beschreven; gedocumenteerde waarnemingen met plaats, datum en beeld dragen daarom bij aan de kennis van de soort.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2024). De soort is algemeen in Zuid-Italië en past zich aan cultuurland en dorpsranden aan; er zijn geen bedreigingen vastgesteld, maar er is ook geen gericht onderzoek naar gedaan. In boomgaarden en moestuinen in Zuid-Italië wordt ze, net als Savi's woelmuis, plaatselijk als schadelijk beschouwd, omdat ze wortels en knollen aanvreet en de bast van jonge bomen rondom afknaagt; bestrijding gebeurt met giflokaas, met nevenschade voor uilen en roofdieren. Zolang de grens met het areaal van Savi's woelmuis niet is vastgesteld, is de omvang van het areaal, en daarmee de beoordeling van de status, onzeker.
Wetenschappelijke naam
Microtus brachycercus | (E. von Lehmann, 1961)
E. von Lehmann beschreef de soort in 1961 als Pitymys savii brachycercus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. brachycercus is Grieks voor 'kortstaart', van brachys 'kort' en kerkos 'staart'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Calabrië.





