Alle soorten › Evenhoevigen › Hertachtigen › Chinese waterree

Chinese waterree | Hydropotes inermis

Water Deer | Hydropotes inermis

De Chinese waterree (Hydropotes inermis) is een klein hert zonder gewei uit Oost-China en Korea; de bok heeft in plaats daarvan lange, slagtandachtige hoektanden. In het gidsgebied is de soort een exoot die alleen in Engeland een vrij levende populatie heeft, vooral in East Anglia en de aangrenzende graafschappen. Ze stamt af van dieren die uit parken bij Woburn en Whipsnade zijn ontsnapt.

Chinese waterree (Hydropotes inermis)
Foto: cazalegg — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het slot is klein en spits, iets kleiner dan dat van het ree. Territoriale dieren leggen mesthopen aan langs de grens van hun territorium en markeren twijgen met geur uit de klier voor het oog. Geluid is een goed kenmerk: bij verstoring geeft de waterree een hees blaffen, vaak herhaald; bokken maken in de bronst klikgeluiden en een zwak fluiten of piepen, en een gewond dier schreeuwt.

Herkenning

Een klein, compact hert van 82 tot 106 cm kop-romplengte, 42 tot 65 cm schouderhoogte en 12 tot 18,5 kg, met een korte staart van 2,5 tot 9 cm. De vacht is licht zandbruin, in de winter dikker en grijzer. De kop heeft grote, ronde oren en opvallend zwarte, ronde ogen en neus. Geen van beide seksen draagt een gewei. De bok heeft lange, naar beneden gerichte hoektanden, gemiddeld 5,5 cm en tot 8 cm lang, die onder de bovenlip uitsteken; bij geiten zijn de hoektanden klein. Er is geen witte spiegel.

Gelijkende soorten

Het ree is hoger op de poten, heeft bij de bok een gewei en een witte tot roomkleurige spiegel die bij schrik oplicht; de Chinese waterree lijkt van dichtbij op een klein, bleek ree zonder spiegel en met ronde oren. De muntjak is kleiner, donkerder roodbruin, heeft een bolle rug en een lange staart die bij het vluchten omhoog wordt gehouden, en de bok draagt naast kleine hoektanden een kort gewei op lange rozenstokken. Van afstand zijn hoektanden meestal niet te zien; de ronde oren en het ontbreken van spiegel en gewei beslissen.

Leefgebied

Rietland, moerassen en hoge grasvegetaties in rivierdelta's en langs rivieroevers, en in Engeland daarnaast natte graslanden, akkers, loofbos en veenmoeras dicht bij bos. De dieren houden zich schuil in hoog riet en gras en zwemmen goed. In akkerland eten ze vooral onkruid en nauwelijks gewassen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Oorspronkelijk Oost-China, vooral het stroomgebied van de Jangtse, en het Koreaanse schiereiland. In Engeland kwamen de eerste dieren in de jaren 1870 naar de dierentuin van Londen; in 1896 gingen ze naar Woburn Abbey, en in 1929–1930 werden 32 dieren naar Whipsnade gebracht. De eerste vrij levende waterree werd in 1945 in Buckinghamshire vastgesteld. De soort leeft nu in Bedfordshire, Buckinghamshire, Cambridgeshire, Norfolk, Suffolk en Essex en breidt zich sinds 2000 uit. In Frankrijk ontsnapten in 1960 dieren uit een omheining in Haute-Vienne; die populatie wordt als verdwenen beschouwd, met geen waarnemingen sinds 2000.

  • Ingeburgerd
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De Chinese waterree foerageert vooral in de schemering, op onkruiden, grassen, kruiden en in mindere mate twijgen en bladeren. Bokken en geiten zijn territoriaal en leven alleen of als geit met jongen; kudden worden niet gevormd. De bronst valt in november en december, wanneer bokken met hun hoektanden vechten. Na een dracht van 160 tot 210 dagen worden in mei of juni de jongen geboren, meestal twee of drie; de waterree krijgt van alle herten de grootste worpen, tot zes of zeven jongen. De jongen zijn na ongeveer drie maanden gespeend. Geiten zijn met 7 tot 8 maanden geslachtsrijp.

Waar en wanneer kijken

Zoek in de Norfolk Broads en de venen van Cambridgeshire, bijvoorbeeld bij Strumpshaw Fen, Hickling Broad en Woodwalton Fen, in de eerste en laatste uren van het daglicht, langs de rand van rietland en natte weiden. In de winter, wanneer het riet deels is gemaaid en de vegetatie laag staat, zijn de dieren het best te zien. Luister in de schemering naar het hese blaffen.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU, 2015). In China is de soort in grote delen van het areaal afgenomen door jacht en verlies van wetlands. In Zuid-Korea is ze talrijk en wordt ze als schadelijk wild aangemerkt: tussen 2014 en 2016 steeg het aantal met premies gedode dieren van ruim 58.000 tot ruim 113.000 per jaar, en in 2016 werden ongeveer 60.000 dieren door het verkeer gedood. De Engelse populatie heeft in tegenstelling tot die van de muntjak tot nu toe geen grote schade aan bos of landbouw veroorzaakt.

Wetenschappelijke naam

Hydropotes inermis | Swinhoe, 1870

Swinhoe beschreef de soort in 1870 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Hydropotes is het Griekse hydropotēs 'waterdrinker', van hydōr 'water' en potēs 'drinker'. inermis is Latijn voor 'ongewapend', van in- 'niet' en arma 'wapens', naar het ontbreken van een gewei; het mannetje draagt in plaats daarvan lange hoektanden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit China.