Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Crocidura pachyura
Crocidura pachyura | Crocidura pachyura
North African White-toothed Shrew | Crocidura ichnusae
Crocidura pachyura is de witsnuitspitsmuis van Sardinië, Ibiza en Pantelleria, en van Noordoost-Algerije en Tunesië: een Noord-Afrikaanse soort die in de oudheid door mensen naar de eilanden is gebracht. In tweehonderd jaar heeft hij drie namen gedragen. De naam pachyura werd lang gebruikt voor een andere soort, de wimperspitsmuis, tot bleek dat Küsters exemplaar uit Cagliari tot deze spitsmuis behoorde. Omdat die naam ouder is dan ichnusae, ging hij over op deze soort.
Sporen
Van deze soort zijn geen eigen sporen beschreven; wat volgt geldt voor het geslacht en is op deze eilanden niet getoetst. De keutel meet twee tot vier millimeter, is donker, spits en glanst door chitineresten, en ligt onder een steen, dakpan of plank. De gangetjes zijn een halve tot anderhalve centimeter breed en lopen door het strooisel, onder dood hout en tussen de stenen van droge muren; kleine ronde openingen aan de voet van zulke muurtjes horen erbij. De prent meet nauwelijks een centimeter, met vijf tenen aan voor- en achtervoet, en is alleen zichtbaar in zeer fijn, vochtig slib. Het geluid bestaat uit hoge, schelle, snel herhaalde piepjes. Zoals bij de hele groep leveren braakballen van kerkuil en steenuil meer gegevens op dan andere methoden: op Sardinië en Ibiza zijn ze de belangrijkste bron om de verspreiding beter in kaart te brengen, en de enige manier om vast te stellen of de soort nog aanwezig is op plekken waar ze lang geleden is verzameld.
Herkenning
Middelgroot en uiterlijk vrijwel niet van de huisspitsmuis te onderscheiden. De rug is donkerbruin, de buik iets lichter, met een geleidelijke overgang zonder scheidingslijn. De staart is naar verhouding kort, heeft dezelfde kleur als de rug en draagt over de hele lengte de lange, afstaande tastharen van het geslacht; de oren steken boven de vacht uit, de tanden zijn zuiver wit. Kop-romplengte 6,2 tot 7,8 cm, staart 3,0 tot 4,0 cm, oor ongeveer 9 mm, achtervoet 11 tot 13 mm. Voor het gewicht zijn geen eigen gegevens gepubliceerd. De vastgestelde verschillen liggen in de schedel en zijn in de hand niet te gebruiken: het profiel van de hersenpan is vlakker dan bij de huisspitsmuis, en de X-vormige kam aan de onderzijde van de hersenpan heeft langere achterste dan voorste armen. Het karyotype telt 2n = 42 met FN = 66 tot 70.
Gelijkende soorten
Uiterlijke kenmerken geven geen uitsluitsel; determinatie berust op de vindplaats. De huisspitsmuis (Crocidura russula) is de zustersoort en uiterlijk niet te onderscheiden; de twee soorten verschillen in chromosomen en DNA, en kruisingen zijn in de tweede generatie beperkt vruchtbaar, maar geen van beide is in het veld te zien. De arealen overlappen niet: op Sardinië, Ibiza en Pantelleria is de huisspitsmuis niet aangetoond, en op het Iberische en Italiaanse vasteland en op Mallorca en Menorca deze soort niet. De determinatie volgt daarom de vindplaats. De enige andere spitsmuis op Sardinië is de wimperspitsmuis (Suncus etruscus): enkele grammen, een veel kleinere kop en een naar verhouding lange staart, en niet met deze soort te verwarren. Sorex-soorten met roodbruine tandpunten ontbreken op alle drie de eilanden. In Noord-Afrika is determinatie moeilijker, omdat daar meer Crocidura-soorten naast elkaar voorkomen en zelfs de grenzen van het areaal onzeker zijn; daar is ten minste schedelonderzoek nodig en geeft DNA-onderzoek uitsluitsel.
Leefgebied
Het gangbare landschap van de mediterrane eilanden: weiden en grasland, akkers en akkerranden, laag struweel, tuinen, en vooral oude landbouwterrassen met droge stenen muurtjes, waar dekking, warmte, vocht en insecten samenkomen. Van zeeniveau tot acht- à duizend meter. Meer is niet vastgelegd; voor een soort met zo'n klein areaal is dat een belangrijke kennisleemte. Over dichtheid, voorkeuren binnen dit landschap en de vraag of de soort de nabijheid van mensen opzoekt of mijdt, is niets bekend.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Vier gescheiden gebieden: Sardinië, Ibiza, Pantelleria en, in Noord-Afrika, Noordoost-Algerije en Tunesië, waar de grenzen van het areaal onzeker zijn. Dit verspreidingspatroon wordt verklaard door introductie: de soort is in Noord-Afrika inheems en is in de oudheid door mensen naar de eilanden gebracht, zoals veel andere kleine zoogdieren van het Middellandse-Zeegebied. De typelocatie is Cagliari op Sardinië, waarvoor in 2007 een lectotype is aangewezen. Het zwaartepunt van het areaal ligt buiten Europa; de drie Europese populaties leven elk op een relatief klein eiland. In Spanje komt de soort alleen op Ibiza voor. In oudere literatuur staat de soort als Crocidura ichnusae of als ondersoort Crocidura russula ichnusae; Sardijnse dieren ook als sarda, Ibizaanse als ibicensis (Crocidura ibicensis of Crocidura russula ibicensis) en die van Pantelleria als cossyrensis. Geen van deze namen hoort bij de huisspitsmuis.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Over de levenswijze van deze soort is niets gepubliceerd: niet over het dagritme, het voedsel, de voortplanting of de sociale organisatie. Wat volgt geldt voor de groep en is niet voor deze soort vastgesteld. Witsnuitspitsmuizen zijn het hele etmaal in korte perioden actief, met de nadruk op de nacht en de schemering; ze eten kleine ongewervelden (insecten en hun larven, spinnen, pissebedden, duizendpoten, wormen en kleine slakken), dagelijks de helft tot het geheel van hun eigen gewicht. Er is geen winterslaap: een dier van zeven gram is daarvoor te klein, en het krimpen van de schedel dat bij de roodgetande spitsmuizen (Sorex) bekendstaat als het fenomeen van Dehnel, is bij dit geslacht niet vastgesteld. In plaats daarvan gaan ze in koude nachten kort in torpor en delen ze een nest. Karavaangedrag van de jongen (elk jong bijt zich vast in de vacht van het jong ervoor, het eerste in die van de moeder) is bij verscheidene soorten van het geslacht waargenomen, maar bij deze soort niet gemeld. Een Crocidura leeft zelden langer dan anderhalf jaar.
Waar en wanneer kijken
Elke betrouwbare waarneming van deze soort heeft waarde. Zoek op Sardinië en Ibiza langs oude terrasmuurtjes, in verwaarloosde olijf- en amandelgaarden en langs akkerranden, in het vochtige seizoen van november tot maart, na zonsondergang met een zaklamp; het scherpe gepiep is meestal eerder te horen dan het dier te zien. Leg een plank of dakpan op een ruige plek en til die om de paar weken op. De meest productieve methode is het uitpluizen van braakballen bij kerkuilnesten in kerken, torens en verlaten boerderijen. Fotografeer en meet een dier dat wordt gezien of gevangen (kop-romp, staart, achtervoet en gewicht) en publiceer de gegevens; een gewichtsreeks van deze soort is nog nooit gepubliceerd.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2021); deze beoordeling berust op weinig gegevens. Er is zeer weinig over de soort bekend en ze lijkt schaars. Grote bedreigingen zijn niet aangewezen; de belangrijkste risicofactor is het zeer beperkte areaal, verdeeld over drie eilanden en een strook Noord-Afrikaanse kust. Bij een dergelijk beperkt areaal kan de beoordeling veranderen wanneer meer gegevens beschikbaar komen: op een eiland van deze omvang hebben het verdwijnen van terrassen en droge muurtjes, het opruimen van steenhopen en ruigte, insectenbestrijding in boomgaarden en verwilderde katten meer invloed dan op het vasteland. Eerst zijn gegevens nodig: dichtheden, een betrouwbare verspreidingskaart per eiland, de grenzen van het Noord-Afrikaanse deel van het areaal, en de reeks lichaamsmaten die tot nu toe ontbreekt.
Wetenschappelijke naam
Crocidura pachyura | (Küster, 1835)
Küster beschreef de soort in 1835 als Sorex pachyurus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Crocidura is Grieks, van krokys, genitief krokydos, 'wolvlok, pluis', en oura 'staart', naar de lange losse haren die tussen het korte staarthaar uitsteken. pachyura is Grieks voor 'dikstaart', van pachys 'dik' en oura 'staart'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Sardinië.





