Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Dwergmuis
Dwergmuis | Micromys minutus
Harvest mouse | Ratón Espiguero
De dwergmuis (Micromys minutus) is het kleinste knaagdier van Europa en het enige dat een bolvormig nest tussen staande stengels boven de grond vlecht. Hij weegt 4 tot 12 gram, klimt met behulp van een grijpstaart en leeft in hoge, dichte kruidvegetatie. Het dier zelf wordt zelden gezien; de soort wordt vooral vastgesteld aan de hand van nesten en braakballen.
Sporen
Het belangrijkste spoor is het nest. Het zomernest is een bol van 6 tot 10 cm doorsnede, op 60 tot 100 cm hoogte tussen de staande halmen van riet, zegge, rietgras of graan. De muis splijt de nog levende bladeren met de tanden in de lengte en vlecht ze tot een bol zonder ze van de plant los te maken, zodat het nest aan groene, doorgroeiende bladeren hangt. Een vers zomernest is daardoor deels groen; een oud nest verbleekt tot strogeel en valt in de winter uiteen. Er is geen zichtbare ingang: het dier duwt de wand opzij, die zich daarna weer sluit. Winternesten liggen lager, in een graspol of onder een hooiopper, en zijn losser gebouwd. Nesten worden gezocht in de late herfst en de winter, wanneer de vegetatie neerligt en de bollen zichtbaar worden; in heel Europa is dat de standaardmethode om de soort te inventariseren. De keutels zijn 2 tot 3 mm, fijn en brokkelig, en worden zelden gevonden. Prenten van een dier van dit gewicht zijn alleen in fijn slib of zeer fijn stof zichtbaar. In braakballen van kerkuil en velduil is de soort betrouwbaar aan te tonen; in veel streken zijn braakballen en nesten de enige bronnen van waarnemingen.



In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een muis van 5 tot 8 cm kop-romplengte, ongeveer half zo groot als een huismuis. De rug is warm oranjebruin tot roestgeel, de buik zuiver wit en scherp begrensd. De kop wijkt af van die van andere muizen: een stompe snuit, kleine, dikke, behaarde oren die diep in de vacht liggen en betrekkelijk kleine ogen; daardoor lijkt de kop meer op die van een woelmuis. Het doorslaggevende kenmerk is de staart: even lang als kop en romp, dun, en over de laatste centimeters een grijpstaart, die het dier om een halm slaat en waaraan het zich vasthoudt. De achtervoet heeft een korte, sterk afstaande buitenste teen waarmee een stengel wordt omvat. Jongen zijn grauwbruin zonder oranje; die kleur verschijnt bij de eerste rui.
Gelijkende soorten
Het geringe formaat is in het veld het eerste kenmerk. De huismuis is groter en grauw, met een buik die geleidelijk in de rugkleur overgaat, grote dunne oren en geen grijpstaart. De bosmuis is veel groter, met grote ogen en oren en lange achterpoten, en verplaatst zich springend in plaats van klimmend. Woelmuizen hebben dezelfde stompe kop maar een veel kortere staart, een gedrongen lichaam en nooit een witte buik. Jongen van andere muizensoorten zijn de meest voorkomende verwarringsbron: ze zijn klein, maar hebben een verhoudingsgewijs grote kop en grote voeten, en missen het oranje. In de hand is de staartpunt beslissend: alleen bij de dwergmuis krult die zich om een vinger.
Leefgebied
Hoge, dichte, rechtopstaande vegetatie die de zomer door blijft staan: riet- en zeggemoerassen, natte en vochtige ruigten, rietkragen langs sloten en plassen, slootkanten en dijken die laat of niet gemaaid worden, bermen met rietgras, braamstruwelen en akkerranden. Graanakkers waren het klassieke leefgebied; de Engelse naam harvest mouse en een Nederlandse volksnaam verwijzen daarnaar. Door de maaidorser en het vroege oogsten is graan als leefgebied grotendeels weggevallen en zijn permanente ruigten belangrijker geworden. De soort heeft geen voorkeur voor nat of droog terrein, wel voor vegetatiestructuur: waar alle vegetatie jaarlijks kort wordt gemaaid, ontbreekt hij. Op het Iberisch Schiereiland is hij gebonden aan biezen- en rietvegetatie, hooilanden en akkerranden.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Noordwest-Spanje en Groot-Brittannië oostwaarts door Europa en Rusland tot Mongolië, China, Korea en Japan, en zuidwaarts tot Noordoost-India en Vietnam; het is een van de grootste arealen van de Europese muizen. In Europa ontbreekt de soort grotendeels in het Middellandse Zeegebied ten zuiden van de Alpen en in Scandinavië ten noorden van de zuidelijke helft. Op het Iberisch Schiereiland beperkt het voorkomen zich tot een noordelijke strook: Galicië, het Cantabrisch gebergte, de bovenloop van de Ebro, de Pyreneeën en hun voorland; de verspreiding daar is onvolledig bekend. In Groot-Brittannië ligt het zwaartepunt in het zuiden en oosten van Engeland, noordwaarts tot de North York Moors; in Wales is de soort schaars, in Schotland zeer lokaal, en in Ierland ontbreekt hij. In Nederland en Vlaanderen komt hij vrijwel overal voor, met zwaartepunten in veenweiden, rietmoerassen, rivieruiterwaarden en vallei- en moerasgebieden.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief, met korte activiteitsperioden verspreid over het etmaal; in dichte vegetatie is hij ook overdag actief. Alleseter: zaden, graan, bessen, scheuten, mos, zwammen en wortels, daarnaast insecten, rupsen, sprinkhanen en nachtvlinders; het aandeel dierlijk voedsel neemt in de winter toe. Per etmaal eet hij ongeveer een derde van het eigen lichaamsgewicht. Buiten de voortplantingstijd leeft hij solitair. De voortplanting loopt van april tot oktober; na een draagtijd van ongeveer 21 dagen worden twee tot zes jongen geboren, gemiddeld vijf, die na 15 dagen worden gespeend en binnen twee maanden geslachtsrijp zijn; vier generaties in één seizoen komen regelmatig voor. Er is geen winterslaap; in de winter leeft de soort op de grond, in graspollen, molshopen, hooimijten en schuren. De wintersterfte is hoog en de meeste dieren overleven de winter niet. In het wild wordt een dwergmuis zelden ouder dan 18 maanden.
Waar en wanneer kijken
Zoek naar nesten. Loop tussen november en maart door een rietkraag, een ongemaaide slootkant of een ruige dijk en kijk op knie- tot heuphoogte naar strogele bollen tussen de staande halmen; in geschikt terrein zijn tientallen nesten per perceel te vinden. Een bol van gespleten, gevlochten bladeren zonder zichtbare ingang wordt in Europa door geen ander dier gemaakt. Laat nesten hangen: ook oude nesten worden hergebruikt. Het levende dier valt het eerst op op een windstille avond in augustus, wanneer een halm zonder wind beweegt; blijf dan stilstaan en wacht. Braakballen van kerkuilen leveren de soort ook op in gebieden zonder zichtwaarnemingen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2017) over het hele wereldareaal. In het agrarisch landschap is de soort volledig afhankelijk van vegetatie die de zomer door blijft staan; slootkanten die tweemaal per jaar worden geklepeld, bermen die kort worden gehouden en verdwijnende akkerranden betekenen verlies van leefgebied. In Groot-Brittannië wijst de nestmonitoring op een achteruitgang; ook elders in Noordwest-Europa is het verlies van graanakkers als leefgebied nauwelijks door nieuwe ruigten gecompenseerd. Op de Nederlandse Rode Lijst van 2020 is de soort beoordeeld als thans niet bedreigd. Op het Iberisch Schiereiland maakt het kleine en versnipperde areaal de soort gevoelig voor het verdwijnen van biezenvegetatie en natte graslanden. Maatregelen die leefgebied behouden zijn gefaseerd maaien, een deel van de oevervegetatie de winter door laten staan en bij het schonen van sloten steeds een strook overslaan.
Wetenschappelijke naam
Micromys minutus | (Pallas, 1771)
Pallas beschreef de soort in 1771 als Mus minutus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Micromys is Grieks, van mikros 'klein' en mys 'muis'. minutus is Latijn voor 'heel klein', eigenlijk het voltooid deelwoord van minuere 'kleiner maken': het kleinste knaagdier van Europa. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland.






